Homulie Negentiende zondag C 2025
Negentiende zondag C Wh 18,6-9 Heb 11,1-2.8-19 Lc 12,32-48
De drie lezingen van deze zondag gaan over verwachting en over de weg naar een beter vaderland. De eerste lezing uit het boek Wijsheid spreekt over de nacht van de uittocht uit Egypte. De nacht is de wieg van een nieuwe dageraad, terwijl de morgen de uittocht is uit de nacht van slavernij en onderdrukking. Bedoeld wordt de uittocht uit alles wat mensen minder maakt dan ze zijn, wat hen onvrij maakt en hun waardigheid aantast. Dat alles heet ‘nacht’ in de Bijbel. Daaruit moet men wegtrekken. De tekst spreekt dan over het ‘vol vreugde de vervulling verwachten’,
‘uitzien naar redding’ en ‘de oude liederen aanheffen’. Een taal van vreugde die verlangen en verwachting uitdrukt naar een stralende dageraad. In Jezus Christus is de dageraad van onze redding reeds aangebroken!
Homilie Zeventiende zondag C 2025
Zeventiende zondag C Gen 18,20-32 Kol 3,12-14 Lc 11,1-13
We mogen God eindeloos lastigvallen, we mogen bij Hem zeuren, klagen, janken, kermen en klagen. Hij wil dat zelfs! Als een jongetje dat bij zijn papa tot vervelens toe zeurt om een voetbal of een fiets tot hij die krijgt. Bidden is je noden aan God bekendmaken en daarbij alles van Hem laten afhangen: “Uw wil geschiede”. Het centrum verplaatst zich dan ongemerkt van jouw naar Zijn wil. Jezus zegt aan zijn leerlingen dat ze zullen verkrijgen wat ze vragen als ze bidden om de Heilige Geest. Wat is dat “vragen om de Heilige Geest”? Dat is reeds een uitgezuiverd gebed, vrij van alle begeerte en bezitsdrang. De Heilige Geest is de liefde. Wie bidt om liefde, kijkt weg van alle eigenbelang.
Dat deed ook Abraham die met grote aandrang smeekte om het lot van het verdorven land Sodom en Gommora. Als een echte sjacheraar verlaagde hij de prijs tot een minimum: “Om tien rechtvaardigen zul je de stad toch wel redden, Heer!” De liefde gaat tot het uiterste. Maar zijn er wel tien rechtvaardigen in de stad van de mens? “Geen mens is rechtvaardig, geen enkele, niet één! Allen zijn verdorven”, bidt Psalm 14. Daarom schrijft Paulus: “Wij allen waren dood door onze fouten. Slechts één is rechtvaardig, de Christus. Alleen in Hem worden wij gerechtvaardigd en ontvangen wij leven en redding.” Ons gebed moet daarom een ‘bidden zijn in Christus’, de ene Gerechte, onze grote Voorbidder, de enige Middelaar tussen God en mensen.
Homilie Zestiende Zondag C 2025
Zestiende Zondag C Gen 18,1-10a Kol 1,24-28 Lc 10,38-42
“Vergeet de gastvrijheid niet”, lezen we in de Hebreeënbrief, “door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” (Hebr. 13,2) Dit vers verwijst naar het verhaal van Abraham bij de eik van Mamre dat we hoorden in de eerste lezing. Abraham en zijn vrouw Sara ontvangen op het heetst van de dag drie mannen, die zij het beste van wat ze in huis hebben aanbieden: rust en water, maar ook een maaltijd van vers brood en mals kalfsvlees. Bij gastvrijheid hoort een maaltijd. En daarbovenop schenkt Abraham zijn luisterend oor, hij komt bij de gasten staan terwijl zij eten.
Wat kun je de gast meer aanbieden dan je gezelschap en je aandacht?
In dit oud-oosters verhaal is er met betrekking tot de gasten een vreemde afwisseling van meervoud en enkelvoud. Soms gaat het in de tekst om één persoon, soms om drie personen. De oude kerkvaders, Cyprianus, Origenes, Cyrillus van Alexandrië en Dionysius de Aeropagiet hebben hierin een openbaring herkend van de Ene en Drie-ene God die Abraham de belofte van een nageslacht doet. “De gastvrijheid van Abraham” is dan ook de naam van de beroemde Triniteitsicoon van de veertiende-eeuwse Russische iconenschilder, Andreï Roublov, die drie engelen afbeeldt die in een kring rond een lage tafel zitten, met op de achtergrond het huis van Abraham en de eik van Mamre. Zonder het te weten heeft Abraham door zijn beoefening van de gastvrijheid engelen onthaald, personificaties van God zelf. Iedere toevallige gast kan met andere woorden een boodschapper zijn die God speciaal naar jou toegestuurd heeft met een bijzondere boodschap. In de gast ontvangt men inderdaad God zelf en krijgt men wederkerig iets bijzonders terug.
Homilie Vijftiende zondag C Deut 30, 10-14 Kol 1, 15-20
Vijftiende zondag C Deut 30, 10-14 Kol 1, 15-20 Lc 10, 25-37
“Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te erven?” Met die essentiële vraag wil de wetgeleerde Jezus op de proef stellen. Het eeuwig leven erven: is dat niet het doel van elk menselijk leven?
Om dit objectief te bereiken gaf God via Mozes de Wet aan het Hebreeuwse volk. De woorden en bepalingen van die Wet zijn verstaanbaar en uitvoerbaar, ze liggen niet buiten het bereik van mensen. Ze zijn te lezen, te horen en te bestuderen. Onze wetgeleerde is zelf een specialist in deze materie. En nu vraagt hij aan Jezus, het eeuwige Woord van de Vader in wie alles geschapen is, wat hij concreet moet doen. Jezus antwoordt met een wedervraag die de wetgeleerde terugverwijst naar zijn eigen domein, dat van de Wet. “Wat zegt de Wet van Mozes over het erven van het eeuwig leven?”De rollen zijn nu omgekeerd: Jezus ondervraagt de wetgeleerde. Deze antwoordt correct: het dubbelgebod van de liefde, God beminnen en de naaste, dat leidt naar het eeuwig leven bij God die liefde is. Jezus kan alleen maar bevestigen dat de man juist heeft geantwoord. Maar deze vraagt door: “En wie is mijn naaste?”. Onder deze vraag schuilt een addertje. Hoe ruim of hoe eng moet het begrip “naaste” worden gedefinieerd? Zijn de naasten alleen maar mijn volk- of landgenoten, mijn familieleden, mijn vrienden en degenen die ik sympathiek vind?
Homilie 12e zondag 2025 C
Homilie 12e zondag C
‘Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden.’
Voorwerp van die zin is ’zijn leven redden’: God wil voor ons ‘het leven’. ‘Je leven redden’, is dit leven invoegen waar het hoort;
ons probleem bestaat in het ‘juist gesitueerd zijn’, wat wil zeggen ‘verbonden zijn’. Het relationele is wat ons doet leven.
Wat we nodig hebben om te leven, kunnen we niet in onszelf vinden. De dood zet alle relaties stop.
De uitweg, zo zegt het geloof ons, is onze relatie met God,
een relatie waaraan onverwoestbaarheid beloofd is, als wij dat willen… ‘Je leven willen redden’ is: denken dat wij zelf het centrum zijn –
en dat is (je leven) verliezen. De eenzaamheid van het graan is de dood; een vrucht die ontsnapt aan het graan-zijn is gered.
‘Zijn leven verliezen om Mijnentwil, om Christus, betekent ‘je leven geven uit liefde’… Het zijn de anderen die ons het leven schenken.
Als het geloof redt, dan is dat omdat het onze blik naar een ander mens toekeert, dus een relatie schept.
Iedere keer dat wij de bezorgdheid voor onszelf op zij zetten om zorg te dragen voor iemand anders, beleven we dit geloof, echt Godsgeloof, ook al beseffen we dat misschien niet.
Homilie Derde Paaszondag C 2025
Derde Paaszondag C Hand 5,27…41 Ap 5,11-14 Joh 21,1-19
Zowel de vier evangeliën als het verrijzenisverhaal dat Paulus ons vertelt gaan ervan uit dat de verschijningen van de verrezen Jezus slechts gedurende een beperkte tijd hebben plaatsgevonden. In de liturgie van het kerkelijke jaar heeft deze periode haar weerslag gevonden in de tijd tussen Pasen en Hemelvaart, in de periode waarin we ons dus nu bevinden. Ons geloof in de verrijzenis steunt met name op de getuigenissen van een relatief kleine groep leerlingen waaraan de Heer na Pasen verscheen, en die daardoor overtuigd raakten dat de Heer Jezus niet in het graf is gebleven maar dat Hij leeft. Hun rol als getuigen was meteen een zending: zij moesten aan de hele wereld Jezus als de Levende gaan verkondigen. Dat is een van de raadsels van ons geloof, dat het steunt – en moet steunen – op de overlevering en de zending van een kleine groep mensen, en dat God zich dus niet met onverbiddelijke kracht als de Levende aan heel de wereld heeft gemanifesteerd.
Op deze derde Paaszondag wordt ons weer zo’n verschijningsverhaal opgedist. Een aantal facetten ervan vinden we ook terug in andere verschijningsverhalen, bijvoorbeeld dat Jezus aanvankelijk niet als zodanig herkend wordt, maar pas in het kader van een maaltijd, hier vis op een houtskoolvuurtje, elders aan het breken van het brood. Jezus staat daar ineens aan de oever van het meer van Tiberias, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Hij vraagt hen iets om te eten. Pas als de Heer hun vraagt de netten opnieuw uit te gooien, herkent de beminde leerling Hem. En onze impulsieve Petrus trekt gauw iets over zijn blote lijf om overboord te springen en Jezus alvast tegemoet te zwemmen. Nadien bij dat houtskoolvuurtje durft niemand van de leerlingen Jezus vragen: “Wie bent u?”. Maar ze wisten dat Hij het was. Ze herkenden Hem als het ware van binnenuit. De herkenning gebeurde niet op grond van zijn uitwendige verschijning of voorkomen, maar vanuit het innerlijk. Ook wij zullen de Verrezen Heer zo herkennen, vanuit ons innerlijk en vanuit de liefde. Want het is niet toevallig dat de
“beminde” leerling Jezus als eerste herkent, en dat Jezus tot driemaal toe aan Petrus vraagt: “Bemin je mij?”. De liefde maakt de Onzienlijke zichtbaar. En onze kerkgemeenschap, met Petrus als rots, moet gebouwd worden op de liefde, op niets meer en niets minder dan de liefde.
Wat het verhaal van deze zondag zo bijzonder maakt is het doodgewone daarin. Na de heftige belevenissen van Jezus’ dood en verrijzenis te Jeruzalem, wil Petrus weer gewoon gaan vissen, in dat meer namelijk dat hem en zijn kompanen zo vertrouwd is, het meer van Galilea. Daar is die hele geschiedenis met Jezus ook begonnen. De andere leerlingen gaan graag met Petrus mee. Wat is heerlijker dan een stuk vis, gebraden op een kampvuurtje aan de rand van het meer? In die eenvoud van het gewone dagelijkse leven, manifesteert zich het verbijsterende ongehoorde van de verrijzenis. Wij hoeven zelf geen topgebeurtenissen te creëren, geen psychedelische drugs te gebruiken, geen ascetische bravourestukjes op te voeren om te ervaren dat de Opgestane Heer ons nabij is. Door onze doop is ons bestaan reeds met Christus in God verborgen (Kol 3,3) en zijn we reeds “boven” bij Hem die zetelt aan Gods rechterhand. De verrezen Heer is nooit ver van ons, hoogstens zijn wij ver van Hem. Maar de weg van en naar Hem ligt open! Wij kunnen Hem aanraken – zoals Thomas de wonden van de verrezen Heer wilde aanraken – als wij ons openstellen voor onze gewonde en lijdende naaste. We kunnen als rotsen worden in de branding, als we biddend en stamelend tegen de Heer Jezus zeggen: “Gij weet alles, Gij weet dat ik u bemin”.
Wij kunnen opnieuw een hoopvolle Kerk zijn als we ons bij alle tegenkanting verheugen omdat we waardig bevonden worden smaad te lijden om de Naam van Jezus. Want “waardig is het Lam dat geslacht werd te ontvangen eer en heerlijkheid en lof!” (Ap 5,12) Amen.
Br. Guerric ocso abdij van Prébenoît