Homulie Negentiende zondag C 2025

Foto 2 klein br. Guerric met St Bernardus

 

 

 

 

 

 

 

Negentiende zondag C Wh 18,6-9    Heb 11,1-2.8-19 Lc 12,32-48

De drie lezingen van deze zondag gaan over verwachting en over de weg naar een beter vaderland. De eerste lezing uit het boek Wijsheid spreekt over de nacht van de uittocht uit Egypte. De nacht is de wieg van een nieuwe dageraad, terwijl de morgen de uittocht is uit de nacht van slavernij en onderdrukking. Bedoeld wordt de uittocht uit alles wat mensen minder maakt dan ze zijn, wat hen onvrij maakt en hun waardigheid aantast. Dat alles heet ‘nacht’ in de Bijbel. Daaruit moet men wegtrekken. De tekst spreekt dan over het ‘vol vreugde de vervulling verwachten’,
‘uitzien naar redding’ en ‘de oude liederen aanheffen’. Een taal van vreugde die verlangen en verwachting uitdrukt naar een stralende dageraad. In Jezus Christus is de dageraad van onze redding reeds aangebroken!



De tweede lezing uit de Hebreeënbrief evoceert het pelgrimschap van de bijbelse aartsvaders en aartsmoeders, Abraham en Sara, Isaac en Jacob. Zij leefden in tenten, in geloof uitkijkend naar de stad van de toekomt, de stad waarvan God de bouwheer en architect is. Deze patriarchen zagen hun leven als een pelgrimstocht in geloof en hoop. Ook wij beleven dit aardse dal als een passage, een voorlopig tehuis, niet als het definitieve maar als iets provisorisch, terwijl we ons toch inspannen er iets moois, goeds en zinvols van te maken. De christen is een reiziger en vreemdeling in deze wereld, die hoopt eens thuis te komen.
Met de verrezen en verheerlijkte Christus zijn we reeds bij de Vader, terwijl we nog onderweg zijn.

Jezus onderricht ons hoe we de tijd van onze pelgrimstocht moeten doorbrengen, als personeel dat zijn heer verwelkomt wanneer die thuiskomt van zijn bruiloft. Wat doen zulke dienaren? Ze zorgen dat het huis er piekfijn bij ligt, overal branden de lampen; ze hebben hun diensttenue aangetrokken en blijven wakker om hun meester bij het eerste teken te ontvangen en te feliciteren met zijn huwelijk. De waakzaamheid krijgt hier het karakter van dienstbetoon: men deelt aalmoezen uit en men geeft het ander dienstpersoneel op tijd eten en drinken. Wij moeten onze aardse pelgrimstocht niet in ledigheid doorbrengen maar vol ijver zijn voor het goede.

In het vierde boek van haar Scivias, schrijft de heilige Hildegard van Bingen over de pelgrimstocht van de ziel. De ziel verkeert in ballingschap maar door tot inkeer te komen gaat ze op naar Jeruzalem, haar bestemming. De ziel die zich inkeert ontdekt dus haar doel in dit leven. Heel haar pelgrimage is een zoektocht naar Waarheid: Sci-vias, “ken de wegen”. Hildegard wijst vervolgens drie wegen aan om de waarheid bereiken: openstaan voor Gods levend woord, de lectio divina; openstaan voor Gods levende klank, de musica divina, dit wil zeggen “resoneren” met Christus; en tenslotte de aanschouwing van dit alles in Zíjn levend Licht, de contemplatie en de onderscheiding. Al deze wegen leiden tot innerlijke ommekeer, tot ontstijging van het aardse en opgang naar het hogere. De verschillende stadia zijn telkens opnieuw te ontdekken. Zo evolueert de ziel van “ongeletterd” (indocta) naar
“begaafd” want zij wordt inwendig onderricht.

Broeders en zusters, laat ieder zijn eigen pelgrimsweg vormgeven, of men zich nu laat inspireren door Abraham, door het volk van de Uittocht, door Lucas of door Hildegard van Bingen. Het heeft de Vader behaagt ons het Koninkrijk te schenken. Dat is geen gering cadeau! Laten we ons dus inspannen het waardig in ontvangst te nemen.

Br. Guerric    Abdij O.L.Vr. van Prébenoît