Homilie voor de 19de zondag dooor het jaar C 10 augustus 2025
Homilie voor de 19de zondag dooor het jaar C 10 augustus 2025
Geloven is in de eerste plaats vanuit een bewust en diep vertrouwen in God
het aannemen van een liefdevolle levenshouding, ontdaan van angst en zelfzucht.
De evangelielezing van deze zondag staat ons toe
die levenshouding verder te verkennen en te beschrijven. Voorop staat: “Wees niet bevreesd.”
Deze oproep om zonder angst te leven is hier gericht aan de leerlingen, maar ook aan allen die geloven, dit geloof verkondigen
en van hun geloof getuigenis afleggen.
Het gaat over het loslaten van vrees en angst
voor een tegenover het geloof en gelovigen eigenlijk vijandige wereld. Dus: wees in deze wereld niet bang om te geloven,
het geloof te verkondigen en van je geloof getuigenis af te leggen. Wees ook niet bevreesd om dat te doen,
merkende dat je bij een kleine minderheid behoort, waardoor je zou kunnen bekoord zijn te denken,
dat je geloof niet erg zinvol is
omdat het dus als zodanig niet erkend wordt door de massa.
Homilie voor de 18de zondag door het jaar C 3 augustus 2025
Homilie voor de 18de zondag door het jaar C 3 augustus 2025
Tiendenschuur van de voormalige cisterciënzerabdij Ter Doest
Christen zijn betekent het aannemen van een andere levenshouding
dan deze die we als een ‘wereldse levenshouding’ zouden kunnen aanduiden.
Die wereldse levenshouding is gekenmerkt
door de drang naar beveiliging, bevrediging en bevestiging
en doordrongen van zelfgenoegzaamheid en individualisme.
In onze nieuwe en andere levenshouding streven we niet na het goed te hebben, maar in alle omstandigheden goed te zijn.
Jezus houdt zich duidelijk ook niet met ‘bezitskwesties’, met ‘hebkwesties’ bezig.
In zijn onderricht wordt het verschil tussen de twee levenshoudingen
en de daaraan te grondslag liggende ingesteldheid verwoord door de uitdrukkingen ‘schatten vergaren voor zichzelf’ en ‘rijk zijn bij God’.
Dat laatste klinkt elders: schatten verzamelen in de hemel (zo Mc 10, 21 en Lc 12, 33).
Homilie voor de 17de zondag door het jaar C 27 juli 2025
Homilie voor de 17de zondag door het jaar C 27 juli 2025
Heer, leer ons bidden.
Stellen de leerlingen deze vraag omdat ze
– zoals de meeste van onze vormelingen en hun ouders – helemaal geen gebedscultuur hebben
en dus niet weten waarom en hoe ze zouden moeten bidden,
of omdat ze op zoek zijn naar een andere manier van bidden dan de traditionele en ze menen dat ze die manier van bidden bij Jezus zien?
Het enige ‘andere’ dat ze dan bij Jezus zien is
dat Hij zich voor het gebed vaak in eenzaamheid terugtrekt.
De vraag van de leerlingen zou dan kunnen luiden: “Wat doe je dan daar?”
Het antwoord van Jezus richt zich echter
noch op gebedsvorm, noch op gebedstechniek, noch op inhoud van gebeden.
Met de parabel van de man die zich om hulp tot zijn vriend wendt richt Jezus de aandacht op de ingesteldheid
waarmee gebeden dient te worden: vertrouwen.
Homilie voor de 12de zondag door het jaar C 22 juni 2025
Homilie voor de 12de zondag door het jaar C 22 juni 2025
De evangelist Lucas neemt hier verzen over uit het evangelie van Marcus, waar deze verzen midden in dat evangelie de belangrijkste zijn.
Ze geven kernachtig hét antwoord op de vragen die Marcus met zijn evangelie wil beantwoorden:
wie is Jezus die ons roept tot navolging
en wat betekent het christen te zijn, Hem na te volgen?
Het antwoord op de eerste vraag komt uit de mond van de eerste navolger, Petrus. Jezus van Nazaret, die hem riep tot navolging aan het meer van Galilea,
is de ‘Gezalfde van God’, in het Grieks de chrèstos, in het Latijn de christus.
in het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, de mesjicha.
De Griekssprekende Joden hebben daar Messias van gemaakt.
Homilie voor de 7de paaszondag C 1 juni 2025
Homilie voor de 7de paaszondag C 1 juni 2025
Dit is een mooi beeld voor eenheid, maar die met God gaat dieper en verder…
Jezus bidt dat wij, christenen vandaag, één zouden zijn. Het is een gebed om eenheid.
Hij specificieert ook dat één zijn, die eenheid.
Het is de eenheid tussen de Vader en Hem, het één zijn van de Vader en Hem. Hij bidt, vraagt en wil dat wij zouden delen in die eenheid, in dat één zijn.
Hij bidt, vraagt en wil dat Zij beiden, Hij en de Vader, als eenheid in ons zouden zijn, in ons innerlijk, in onze geest en in ons hart.
En dat zijn Ze, door het inwonen van de Geest. Eigenlijk is Jezus’ gebed een gebed om de Geest.
Dat Jezus één is met de Vader blijkt uit wat Hij zegt en doet.
Zijn daden – die in het Johannesevangelie ‘tekens’ of ‘werken’ genoemd worden – zijn goddelijke scheppende en herscheppende daden
en zijn woorden zijn Gods woorden.
Homilie voor de 4de paaszondag C 11 mei 2025
Homilie voor de 4de paaszondag C 11 mei 2025
Evangelie: Johannes 10, 27-30
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. Ik en de Vader, Wij zijn één."
Joh 10, 22 In die tijd werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd. Het was winter, 23 en Jezus hield zich op in de tempel in de Zuilengang van Salomo. 24 De Judeërs kwamen in een kring om Hem heen staan en zeiden tot Hem: “Hoelang houdt Gij ons nog in spanning? Als Gij de Messias zijt, zegt het ons dan ronduit.” 25 Jezus gaf hun ten antwoord: “Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken die Ik in naam van mijn Vader doe, zij leggen getuigenis over Mij af. 26 Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort. 27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. 28 Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. 29 Mijn Vader immers, die ze Mij gegeven heeft, is
groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. 30 Ik en de Vader, Wij zijn een.” 31 Weer raapten de Judeërs stenen op om Hem te stenigen. 32 Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” 33 De Judeërs gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” 34 Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: ‘Ik heb gezegd: gij zijt goden?’”