Homilie voor de 17de zondag door het jaar C 27 juli 2025
Homilie voor de 17de zondag door het jaar C 27 juli 2025
Heer, leer ons bidden.
Stellen de leerlingen deze vraag omdat ze
– zoals de meeste van onze vormelingen en hun ouders – helemaal geen gebedscultuur hebben
en dus niet weten waarom en hoe ze zouden moeten bidden,
of omdat ze op zoek zijn naar een andere manier van bidden dan de traditionele en ze menen dat ze die manier van bidden bij Jezus zien?
Het enige ‘andere’ dat ze dan bij Jezus zien is
dat Hij zich voor het gebed vaak in eenzaamheid terugtrekt.
De vraag van de leerlingen zou dan kunnen luiden: “Wat doe je dan daar?”
Het antwoord van Jezus richt zich echter
noch op gebedsvorm, noch op gebedstechniek, noch op inhoud van gebeden.
Met de parabel van de man die zich om hulp tot zijn vriend wendt richt Jezus de aandacht op de ingesteldheid
waarmee gebeden dient te worden: vertrouwen.
God is als een vriend die te vertrouwen is
en tot wie men zich zonder beschaamdheid kan wenden, ook midden in de nacht.
Vertrouwen betekent hier echter niet dat God onze gebeden verhoort
in deze zin, dat onze wensen en verwachtingen zomaar in vervulling gaan. Dat wordt duidelijk door de ervaring van het leven tegengesproken.
Wat gebedsverhoring wel betekent is dat God ons,
als een vader die te vertrouwen is, goede gaven weet te geven
en die enige goede gave – waarvoor ook gebeden kan en moet worden – is zijn Geest waardoor Hij ons steeds nabij is.
Dit betekent weer niet dat ziekte, dood, lijden en tegenslag zomaar weggenomen worden maar wel dat we door het bewustzijn van zijn aanwezigheid
en door het bewustzijn van een leven in eenheid met Hem,
telkens weer en iedere dag opnieuw in staat zijn boven onszelf uit te stijgen, een nieuw leven kunnen leiden
en steeds de moed om te zijn en te leven ontvangen, ondanks alles. De laatste bede van het Onzevader is een bede om standvastigheid,
om ondanks alles, ondanks een geschokt vertrouwen, ja, ondanks wanhoop toch de moed te vinden om te zijn en te leven en goed te doen.
Jezus’ gebed is een uitdrukking van vertrouwen en daarom ook van gehoorzaamheid.
In zijn bidden hoort men geen ik-gerichte vragen
en de enige keer dat we dat wel horen ‘trok’ Hij de vraag onmiddellijk in:
Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan.
Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede. (Lc 22, 42)
Ook de aanspreking ‘Vader’ drukt al dat vertrouwen uit.
Bidden dienen wij te doen met de ingesteldheid van Jezus, in eenheid met Hem. Daarbij vragen we best ook niets voor onszelf,
behalve de gave van de heilige Geest en het dagelijks brood,
d.i. hetgeen we werkelijk nodig hebben om te leven, dat en niets meer dan dat!
Bij het bidden van het Onzevader dienen we in de eerste plaats ons met een Jezus-ingesteldheid te bekleden.
En als ik het nu toch over vormelijkheden mag hebben:
de beste gebedshouding daarvoor in de eucharistieviering is een geaarde houding en daarbij de orantehouding waarbij we elkaar handjes niet hoeven vast te houden.
Die hartelijkheid voor en verbondeheid met elkaar drukken we daarna wel uit in de vredeswens.
priester Dirk, OCH Oostende
https://www.youtube.com/watch?v=GQHR7PLyTEs&ab_channel=AnnTrulove