Vierde Adventszondag C 2021

 

 

 

Mich 5,1-4 Hebr 10,5-10  Lc 1,39-45

Twee vrouwen ontmoeten elkaar. De ene piepjong, de andere op rijpe leeftijd. Allebei dragen ze een pril nieuw leven in zich. Hun ogen krijgen een nieuwe glans, hun blik is nu meer naar binnen gericht. Af en toe liggen hun handen in een beschermend en teder gebaar op hun buik en stilaan zal heel hun wezen, heel hun leven in het teken staan van het kindje dat ze zullen baren. We hebben er mooie woorden voor: in blijde verwachting zijn, in gezegende toestand. Het moet voor elke zwangere vrouw een bijzondere periode zijn in haar leven.
     Als man sta je erbij en kijkt ernaar. Onhandig, sprakeloos en een tikje als buitenstaander. In traditionele culturen komt de vader niet eens de verloskamer binnen: alleen vrouwen worden toegelaten. Tegenover een zwangere vrouw ben je getuige van een groot mysterie dat zo oud is als de mensheid en dat slechts met eerbied kan benaderd worden. Had niet beter een vrouw de homilie van vandaag gehouden? Ze had ons kunnen vertellen hoe ooit haar kindje in haar buik bewoog, zo ongeveer vanaf de achttiende week. Elisabeth is in haar zesde maand: het is dus normaal dat haar kindje al krachtige bewegingen maakt. Bij de begroeting van de twee vrouwen, begroeten ook hun beide mannelijke baby’s elkaar: zo stelt de evangelist Lucas het voor. Elisabeth vertaalt de beweging die zij in haar schoot voelt in een groet aan Maria, die wij vandaag het ‘Weesgegroet’ noemen: “Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot”. Geen stoere mannentaal in dit evangelie van de Visitatie, maar daarom niet zonder grote diepgang.
     Vorige zondagen waren die vlammende woorden van mannen als Jeremia, Sefanja of Johannes de Doper niet uit de lucht. Ze maakten ons deelgenoot van hun dromen en visioenen, van het eeuwenlange uitkijken naar de messiaanse Verlosser. Met vurigheid en aandrang riepen ze ons op tot bekering. Want God komt niet wonen in onzuivere harten. God wordt geen bron in een mensenhart dat vuil en chaotisch is en om zich heen onrecht aanstookt. De profeten hebben gelijk. We moeten ons ‘omkeren’ en werken aan een betere wereld zoals God hem droomt. En dat doen we ook: in allerlei acties van solidariteit, welzijnswerk, hulp aan daklozen en vreemdelingen, aandacht voor eenzamen, marginalen, covidpatiënten. Het zijn tekenen van onze diepe wil om de wereld te verbeteren, het milieu te redden, de vrede te herstellen waar die zoek is.


     Toch blijven we zitten met een diepe onmacht. Er is meer nodig dan wat sleutelen aan de buitenkant, een actie hier of een donatie ginder. Als het hart van de mens onzuiver is, dragen ook al zijn woorden en daden sporen van die wanorde. Er moet eerst vanbinnen iets fundamenteel veranderen, zoals in Maria en Elisabeth. Er moet een goddelijke kern groeien in ons hart: of beter gezegd, die goddelijke kern is er al van bij onze geboorte, van bij ons doopsel, maar we moeten de weg ernaartoe vrijmaken. We moeten de barricades opruimen die de toegang naar de goddelijke diepte, naar het grote Mysterie in ieder schepsel blokkeren. God spreekt tot ons via de geïnspireerde woorden uit de Schrift, maar Hij wil ook in ons geboren worden. Wij hongeren naar een God die tot ons spreekt, maar nog meer naar een God die in ons woont. En dat is de geboorte van het goddelijk Kind dat wij met Kerstmis vieren. Heel de heilsgeschiedenis door leeft er die verzuchting naar een Kind dat gaat geboren worden, naar ‘de tijd dat zij die baren moet haar kind gaat baren’.
     Het is iets kleins, dat goddelijke, die kiem van Gods liefde. Het komt ter wereld in een boerendorp als Bethlehem in Efrata, de kleinste  onder de stammen van Juda. God wil niet geboren worden in koningspaleizen, in supermarkten die uitpuilen van voedsel terwijl de helft van de wereldbevolking honger lijdt, in grote organisaties en structuren waar bloed aan de handen kleeft.  Ook dat wisten de profeten. God komt ons onvoorstelbaar nabij door af te dalen, door zich te ontledigen, door zelf mens te worden, ja, een Lijdende Dienstknecht van de mensen.
     Vandaag, op deze vierde adventszondag, ruimen de profeten het toneel voor twee vrouwen die de hoofrollen spelen in de Menswording van het Woord. In hen en door hen zal het wonder geschieden. Maria en Elisabeth staan symbool voor mensen die kunnen ontvangen, die kunnen luisteren met aandacht en begroeten met liefde. Hun zwangerschap is menselijk gezien onmogelijk en daarom juist goddelijk: de één is onvruchtbaar, de ander maagd. God bewerkt dit, want voor Hem is niets onmogelijk! Voor God is het nooit te laat en nooit te vroeg. Als je God niet in de weg loopt, maar Hem zegt ‘hier ben ik, God, uw wil te doen is mijn vreugde’, dan komt Hij naar je toe, dan wordt het Kerstmis.                                                br. Guerric Aerden ocso