Homilie Aswoensdag 2016
Homilie Aswoensdag 2016
Uw Vader die in het verborgene ziet.
Misericordes sicut Pater.
Barmhartig zoals de Vader.
Zusters en broeders,
In de evangelielezing die we op Aswoensdag krijgen aangereikt, vernoemt Jezus tot zesmaal toe de Vader en wel naar ons toe – uw Vader. De veertigdagentijd die we nu ingaan, heeft met de Vader van doen, onze Vader. Een Vader van wie de eerste lezing zegt dat Hij genadig is en barmhartig, lankmoedig en vol liefde en dat Hij spijt heeft over het onheil. Wij hebben een God, die Vader is, een barmhartige Vader, en dit is bepalend voor wie wij zijn. Een Vader die op een heel eigen wijze op ons betrokken is: een Vader die in het verborgene is en in het verborgene ziet. Geen opdringerige aanwezigheid die ons verplettert, maar verborgen als het geluid van de stilte.
Homulie Negentiende zondag C 2025
Negentiende zondag C Wh 18,6-9 Heb 11,1-2.8-19 Lc 12,32-48
De drie lezingen van deze zondag gaan over verwachting en over de weg naar een beter vaderland. De eerste lezing uit het boek Wijsheid spreekt over de nacht van de uittocht uit Egypte. De nacht is de wieg van een nieuwe dageraad, terwijl de morgen de uittocht is uit de nacht van slavernij en onderdrukking. Bedoeld wordt de uittocht uit alles wat mensen minder maakt dan ze zijn, wat hen onvrij maakt en hun waardigheid aantast. Dat alles heet ‘nacht’ in de Bijbel. Daaruit moet men wegtrekken. De tekst spreekt dan over het ‘vol vreugde de vervulling verwachten’,
‘uitzien naar redding’ en ‘de oude liederen aanheffen’. Een taal van vreugde die verlangen en verwachting uitdrukt naar een stralende dageraad. In Jezus Christus is de dageraad van onze redding reeds aangebroken!
Homilie Zestiende Zondag C 2025
Zestiende Zondag C Gen 18,1-10a Kol 1,24-28 Lc 10,38-42
“Vergeet de gastvrijheid niet”, lezen we in de Hebreeënbrief, “door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald.” (Hebr. 13,2) Dit vers verwijst naar het verhaal van Abraham bij de eik van Mamre dat we hoorden in de eerste lezing. Abraham en zijn vrouw Sara ontvangen op het heetst van de dag drie mannen, die zij het beste van wat ze in huis hebben aanbieden: rust en water, maar ook een maaltijd van vers brood en mals kalfsvlees. Bij gastvrijheid hoort een maaltijd. En daarbovenop schenkt Abraham zijn luisterend oor, hij komt bij de gasten staan terwijl zij eten.
Wat kun je de gast meer aanbieden dan je gezelschap en je aandacht?
In dit oud-oosters verhaal is er met betrekking tot de gasten een vreemde afwisseling van meervoud en enkelvoud. Soms gaat het in de tekst om één persoon, soms om drie personen. De oude kerkvaders, Cyprianus, Origenes, Cyrillus van Alexandrië en Dionysius de Aeropagiet hebben hierin een openbaring herkend van de Ene en Drie-ene God die Abraham de belofte van een nageslacht doet. “De gastvrijheid van Abraham” is dan ook de naam van de beroemde Triniteitsicoon van de veertiende-eeuwse Russische iconenschilder, Andreï Roublov, die drie engelen afbeeldt die in een kring rond een lage tafel zitten, met op de achtergrond het huis van Abraham en de eik van Mamre. Zonder het te weten heeft Abraham door zijn beoefening van de gastvrijheid engelen onthaald, personificaties van God zelf. Iedere toevallige gast kan met andere woorden een boodschapper zijn die God speciaal naar jou toegestuurd heeft met een bijzondere boodschap. In de gast ontvangt men inderdaad God zelf en krijgt men wederkerig iets bijzonders terug.
Homilie Zeventiende zondag C 2025
Zeventiende zondag C Gen 18,20-32 Kol 3,12-14 Lc 11,1-13
We mogen God eindeloos lastigvallen, we mogen bij Hem zeuren, klagen, janken, kermen en klagen. Hij wil dat zelfs! Als een jongetje dat bij zijn papa tot vervelens toe zeurt om een voetbal of een fiets tot hij die krijgt. Bidden is je noden aan God bekendmaken en daarbij alles van Hem laten afhangen: “Uw wil geschiede”. Het centrum verplaatst zich dan ongemerkt van jouw naar Zijn wil. Jezus zegt aan zijn leerlingen dat ze zullen verkrijgen wat ze vragen als ze bidden om de Heilige Geest. Wat is dat “vragen om de Heilige Geest”? Dat is reeds een uitgezuiverd gebed, vrij van alle begeerte en bezitsdrang. De Heilige Geest is de liefde. Wie bidt om liefde, kijkt weg van alle eigenbelang.
Dat deed ook Abraham die met grote aandrang smeekte om het lot van het verdorven land Sodom en Gommora. Als een echte sjacheraar verlaagde hij de prijs tot een minimum: “Om tien rechtvaardigen zul je de stad toch wel redden, Heer!” De liefde gaat tot het uiterste. Maar zijn er wel tien rechtvaardigen in de stad van de mens? “Geen mens is rechtvaardig, geen enkele, niet één! Allen zijn verdorven”, bidt Psalm 14. Daarom schrijft Paulus: “Wij allen waren dood door onze fouten. Slechts één is rechtvaardig, de Christus. Alleen in Hem worden wij gerechtvaardigd en ontvangen wij leven en redding.” Ons gebed moet daarom een ‘bidden zijn in Christus’, de ene Gerechte, onze grote Voorbidder, de enige Middelaar tussen God en mensen.
Homilie Vijftiende zondag C Deut 30, 10-14 Kol 1, 15-20
Vijftiende zondag C Deut 30, 10-14 Kol 1, 15-20 Lc 10, 25-37
“Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te erven?” Met die essentiële vraag wil de wetgeleerde Jezus op de proef stellen. Het eeuwig leven erven: is dat niet het doel van elk menselijk leven?
Om dit objectief te bereiken gaf God via Mozes de Wet aan het Hebreeuwse volk. De woorden en bepalingen van die Wet zijn verstaanbaar en uitvoerbaar, ze liggen niet buiten het bereik van mensen. Ze zijn te lezen, te horen en te bestuderen. Onze wetgeleerde is zelf een specialist in deze materie. En nu vraagt hij aan Jezus, het eeuwige Woord van de Vader in wie alles geschapen is, wat hij concreet moet doen. Jezus antwoordt met een wedervraag die de wetgeleerde terugverwijst naar zijn eigen domein, dat van de Wet. “Wat zegt de Wet van Mozes over het erven van het eeuwig leven?”De rollen zijn nu omgekeerd: Jezus ondervraagt de wetgeleerde. Deze antwoordt correct: het dubbelgebod van de liefde, God beminnen en de naaste, dat leidt naar het eeuwig leven bij God die liefde is. Jezus kan alleen maar bevestigen dat de man juist heeft geantwoord. Maar deze vraagt door: “En wie is mijn naaste?”. Onder deze vraag schuilt een addertje. Hoe ruim of hoe eng moet het begrip “naaste” worden gedefinieerd? Zijn de naasten alleen maar mijn volk- of landgenoten, mijn familieleden, mijn vrienden en degenen die ik sympathiek vind?