Tekst en Onderricht dinsdag 9 juni 2026




dinsdag 9 juni 2026
“EEUWIG LEVEN”
“Grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen.” (1 Tim 6, 12)


1 Timoteüs 6, 11-16
Johannes 3, 13-18

Helemaal op het einde van de geloofsbelijdenis is er sprake van het ‘eeuwig leven’.
Het klinkt als een orgelpunt, een waardige finale
waar als het ware naartoe ‘geleefd’ werd.
In de apostolische geloofsbelijdenis lezen we:
‘Ik geloof in het eeuwig leven’.
In de geloofsbelijdenis van Nicea daarentegen:
‘Ik verwacht het leven van het komend Rijk’.
We komen straks op dat onderscheid terug,
maar duidelijk is hier dat ‘verwachten’ synoniem is van ‘geloven’
en wel in de betekenis van ‘vertrouwen’, ‘vertrouwen op’.
Het leven waarvan in de geloofsbelijdenis sprake is
verschijnt als het doel van ons leven, van ons geloofsleven.
Het is de reden van de incarnatie, van de zending van Christus,
van het hele Christusgebeuren en heilsgebeuren
dat in de geloofsbelijdenis aan bod komt.
Het is datgene waar het God om te doen is,
datgene wat God wil voor de mens.

Lees meer...

tekst en onderricht mei 2026

OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
38ste werkjaar 2025-2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS


Efeziërs 2, 13-22
Matteüs 16, 13-18
“Ik geloof in de katholieke Kerk”.
Zo zeggen we in de apostolische geloofsbelijdenis. In de geloofsbelijdenis van Nicea luidt het:
“Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk.”
Het is wellicht een ‘artikel’ van de geloofsbelijdenis waar velen het moeilijk mee hebben.
Misschien is het wel het weerbarstigste artikel.
Christus: ja. De Geest: OK. God: misschien. De Kerk: nee. Zo zou je ook kunnen horen bij velen die zich gelovig noemen en zelfs bij velen die in de Kerk een taak op zich nemen.
Indien ‘geloof’ synoniem is voor ‘vertrouwen’ - en dat is het - dan is het vertrouwen in de Kerk bij velen ver te zoeken.
Er zijn tal van redenen die het ‘ongeloof’ en dus het ‘wantrouwen’ in de Kerk erg begrijpelijk maken en zelfs meer dan aanvaardbaar.
Maar toch schuilen in dat zeer dikwijls vlug geproclameerd wantrouwen enkele gegevens die kritisch benaderd mogen en kunnen worden.
Vooreerst wordt meestal met het begrip ‘kerk’

Lees meer...

tekst en Onderricht maart 2026




Jesaja 11, 1-9

Matteüs 3, 11-17
Duiding

Onze geloofsbelijdenis heeft een trinitaire indeling.
Het eerste deel handelt over de Vader, het tweede over de Zoon en het derde deel is het deel van de Heilige Geest.
Maar het is ook het deel van de Kerk, die het werk is van de Geest. En in dit deel komen zaken aan bod die de Geest bewerkt,
de Geest die Jezus ons heeft nagelaten om ons heil te bewerken.
Ik geloof in de heilige Geest die Heer is en het leven geeft
die voortkomt uit de Vader en de Zoon; die met de Vader en de Zoon
tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt; die gesproken heeft door de profeten.
Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden.
Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk. Amen.

Lees meer...

Tekst en Onderricht april 2026

OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
38ste werkjaar 2025-2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS



2 Samuël 12, 1-14
Matteüs 18, 21-35
Ik had veel andere Bijbelse teksten kunnen kiezen voor dit thema over zonde en vergeving.
Zoals bijvoorbeeld het evangelie van de 2de paaszondag, Beloken Pasen, waarin we de verschijnende verrezen Heer tot de leerlingen horen zeggen: Ontvang de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” (Joh 20, 22-23)
Waarom wordt die zondenvergeving onmiddellijk ter sprake gebracht na de gave van de Geest, alsof die er hecht mee te maken heeft
en de hele zendingsopdracht van de leerlingen daarop gefocust is
en waardoor het ook lijkt dat die vergeving de kernopdracht van de Kerk is
en de grootste dienst die de Kerk aan de mens en de mensheid kan bewijzen? Ik hoop in de loop van wat volgt een antwoord op deze vraag te kunnen geven.

Lees meer...

Tekst en ondeericht februari 2026

OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
38ste werkjaar 2025-2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS


Romeinen 2, 1-16

Matteüs 12, 38-42

Duiding
Een oordelende God zint de hedendaagse mens, gesteld op autonomie, helemaal niet meer.
Het afwijzen van deze God leidde eigenlijk tot het afwijzen van God,
of anders gezegd, het afwijzen van God is misschien wel in de eerste plaats
het afwijzen van een oordelende God, die als hinderpaal voor vrijheid ervaren wordt.
Dit afwijzen houdt ook een loslaten in van een ethiek en een moraal
waarin een instantie verschijnt tegenover wie verantwoording moet afgelegd worden, een instantie die uiteraard een andere is dan deze van het ‘ego’
of deze van een gemeenschap, die in veel gevallen verschijnt als een collectief ego. Maar met het afwijzen van een oordelende God wordt ook een vergevende God verlaten en het gevolg daarvan zou wel kunnen zijn dat er maatschappij ontstaat
waarin vergeving ook niet meer aan de orde is.
De mens oordeelt en veroordeelt vanuit een wisselende ethiek
maar er is geen transcendent tegenover die voorwaarde kan inhouden voor de waarheid van het oordeel.
Zo wijst Rik Torfs in zijn vlot lezend boek Tijdgeest erop dat de wederzijdse toestemming van meerderjarigen
het enige morele criterium wordt om een seksuele daad goed te keuren.
Dat is nogal ruimer dan het ‘Bemin en doe wat je wil’ van de heilige Augustinus,
waarbij dus de liefde als criterium naar voor treedt
en daarbij de vraag kan gesteld worden wanneer er van liefde sprake is en wie of wat ons in staat stelt dat te bepalen.
Naast de drang naar autonomie en vrijheid
is ook de daardoor ontstane ontvoogding van ethiek van haar oorsprong een reden voor de afwijzing van een oordelende God.

Lees meer...