Tekst en Onderricht op 3 februari 2026


Onderricht op 3 februari 2026
Inspiratie voor het onderricht wordt in dit werkjaar o.a. geput uit Michael CASEY, ocso, Naar God. Inleiding tot de praktijk van het gebed, Lannoo-Tielt, Abdij Bethlehem, 2007.

Sommige mensen houden
als ideaal van een volmaakt spiritueel mens
iemand voor ogen die zich niet laat ‘intimideren’
door eigen gedachten en vooral niet door eigen gevoelens
en eigenlijk zowat min of meer gevoel- en gedachteloos door het leven zou gaan.
En deze ‘deugd’ zou dan zeker aanwezig dienen te zijn bij het bidden
en het doel van mediteren zou dan het bereiken
van zo’n deugdzaam innerlijk zijn.
Zo’n mensen doen denken aan een personnage
uit de roman van Umberto Eco, De Naam van de Roos, namelijk de benedictijnermonnik Jorge van Burgos, die de stelling verdedigt dat Jezus nooit gelachen heeft
en dat het voor spirituele mensen ook niet betaamt te lachen of zich met literatuur over lachen en humor bezig te houden.
Het nastreven van een dergelijk ideaal


heeft helemaal niets te maken met ware spiritualiteit. We streven eigenlijk geen enkel spiritueel ideaal na.
We willen in onze meditatietijd enkel aanwezig zijn en ons open stellen voor de Aanwezige in ons.
Hij transformeert ons.
We ondervinden daarbij zeer goed
dat ons bewustzijn - onze geest en ons hart -
zo snel vervuld wordt van gedachten die sterke banden met emoties hebben.
De vraag kan gesteld worden als gedachten emoties genereren of emoties allerhande gedachten oproepen.
Het is in ieder geval verkeerd te denken dat gebed
leidt of moet leiden tot een toestand van gevoelloosheid, een bewustzijn zonder gevoelens.
Bidden houdt wel degelijk gevoelens in.
De vaders hebben het over het ‘gevoel van het hart’, de affectus cordis.
Augustinus sprak over de ‘geestverrukking’, de delectatio.
Franciscus van Assisi vermeldt in zijn testament de dulcedo,
de ‘zoetheid’ die echter niets met devote zoeterigheid te maken heeft.
En Benedictus wijst op de intentio cordis, ‘de geneigdheid van het hart’.
En allen hebben weet van de zgn. ‘vermorzeling van het hart’, de compunctio,

een emotioneel ervaren van ‘doorprikt’ of ‘doorboord’ worden.
Het is een gevoel dat zowel positief of negatief kan ervaren worden.
Bernardus had het bij compunctio
over bedrukt zijn over misstappen, over berouw en verdriet maar ook over opgetogenheid over Gods gaven.
Gregorius wist te vertellen dat de compunctio
altijd komt na het doorleven van een existentiële angst en de zekerheid meebrengt van bemind en aanvaard zijn, van vergeving, van ontvangen van genade.
De genade van de compunctio haalt de mens
uit een heilloze gevoelloosheid, is een heilzaam geraakt worden. Cassianus somt in dit verband meerdere omstandigheden of oorzaken van dit heilzaam geraakt worden op:
de herinnering aan schuld, de confrontatie met dood of verlies, het vreugdevolle of pijnlijk confronterende ontvangen van inzicht
of ook het geraakt worden door schoonheid, zelfs deze van een psalmodie.
En natuurlijk is er het geraakt worden door de liefde waarbij het bewust worden en zijn van Gods aanwezigheid het hart mild stemt en tot tranen toe kan bewegen.
Men spreekt dan van de compunctio lacrimarum.
Dit is in ieder geval geen uiterlijk gedoe!
Het is geen emotie die ons van God afwendt. Ze wordt niet opgeroepen en niet gekoesterd.
Ze overvalt, ze is dus genade
en vormt, als ze echt is en dus werkelijk diepe emotie is een aansporing om te volharden in het gebed,
een aansporing om het goede te doen en het kwade te laten.
Dergelijke emoties die het gebed kunnen vergezellen zijn energiebronnen.
Ze ontkennen is Christus ontkennen en de genade afwijzen in een soort narcistisch ideaalbeeld van volmaaktheid.

https://www.youtube.com/watch?v=2URHK96awqk&list=RD2URHK96awqk&start_r adio=1