tekst en onderricht oktober 2026


GELOVEN: BEVRIJDING EN LEVEN
Op stap met verhalen van uittocht, doortocht, woestijntocht en intocht.


Lezing: Exodus 12, 1- 42 Duiding:
Onze lees- en studietekst, bijna het hele 12de hoofdstuk van Exodus, kunnen we gerust in twee stukken indelen.
vv. 29-42 is het relaas van de tiende plaag en van de uittocht,
waarbij die tiende plaag duidelijk als de oorzaak van de uittocht gezien wordt, de reden waarom farao uiteindelijk het volk de toestemming geeft
om te gaan offeren in de woestijn. Jahwe heeft het dus gehaald!
En nu moet die uittocht haastig gebeuren, zo spoedig mogelijk, want Jahwe heeft ook de harten van de Egyptenaren ‘bekeerd’ en die dringen aan op een zo spoedig mogelijk vertrek.
Vandaar: het maal moet staande gegeten worden, klaar om te vertrekken en er is geen tijd om het brood te laten rijzen.
vv. 1-28 bevatten ‘liturgische’ voorschriften.
In vv. 1-20 is Jahwe zelf aan het woord
en Hij geeft in vv.1-13 instructies over het paasfeest, pesach,
en in vv.15-20 over het feest van de ongezuurde broden, chag ha-matzoth.
V.14 kan gelden als een scharniervers.
In vv.21-28 geeft Mozes de instructies door,
maar alleen deze van het paasfeest komen aan bod met veel aandacht voor het zgn. bloedritueel,
waarbij duidelijk een link gelegd wordt tussen het paasmaal en een bevrijdende maar wel wrede daad van Godswege:
het doden van de eerstgeborenen.


Het Hebreeuwse werkwoord pasach betekent naast ‘voorbijgaan’ ook ‘sparen’, ‘ontzien’. Het hele hoofdstuk is, net zoals geheel Exodus,
een samengesteld en zeer gekunsteld complex
dat veel vragen oproept over de genese van de tekst zelf,
over de oorsprong en de oorspronkelijke betekenis van de erin vermelde feesten en over de zin en betekenis van het doden van de eerstgeborenen in Egypte, om de vraag naar de historiciteit daarvan nog niet te vergeten.

Het paasfeest zou een zeer oud en pre-mozaïsch nomadenfeest kunnen zijn, een offerfeest, gevierd in de lente bij de eerste volle maan,
om aan de godheid vruchtbaarheid en bescherming af te smeken. Misschien werden dan de eerstgeborenen van de kudde geofferd. Misschien diende het lam om al de andere offers te vervangen.
Sommigen durven gewagen dat er ooit wel kinderoffers waren.
Het bloedritueel kan als een zeer oud afweerritueel tegen demonen gelden. De ongezuurde broden, die daarbij gegeten dienden te worden,

zouden ook kunnen verwijzen naar de nomadische oorsprong
van het feest van de ongezuurde broden, alsook de bittere kruiden.
Dit feest was duidelijk een clanfeest en werd niet in een heiligdom gevierd.
Het feest van de ongezuurde broden zou een geadopteerd Kanaänitisch feest zijn, eveneens een lentefeest bij het begin van de zaaitijd.
Het ongedesemd zijn van het brood zou een bezwerend teken zijn om de groeikracht van het graan niet te hinderen.
Dit feest werd gevierd in een heiligdom en was daarom ook een pelgrimsfeest. Het zou misschien reeds door de Israëlieten in Egypte gevierd kunnen zijn, maar het niet gedesemd zijn van de broden krijgt een nieuwe betekenis
in het kader van het relaas van de uittocht,
verwijzend naar de haast waarmee deze diende te geschieden. Het paasfeest zou quasi zeker wel in Egypte gevierd zijn.
Egypte zou op een bepaald moment door rampen en pest getroffen zijn, waarbij ook de eerstgeborene van de farao stierf.
De Israëlieten zouden dan van de ontstane chaos gebruikt gemaakt hebben om hun slavenbestaan te ontvluchten.
Het moment waarop ze dat deden viel samen met het paasfeest.
Andere exegeten vinden dat het verhaal van de bevrijding
een later gecreëerde legende is, eventueel met historische elementen, maar in ieder geval met de duidelijke bedoeling
de feesten een historische gelovige duiding te geven,
de feesten dus wel degelijk als herdenkingsliturgie te funderen en vooral ook de wet op de eerstgeborenen te staven.
De geschiedenis leidde – in deze opvatting - dus niet tot een herdenkende liturgie, maar de liturgie leidde tot een historisch relaas, een hagaddah.

Nu moeten we er even aan herinneren dat de eerste redactie van het boek Exodus geschiedde in de ballingschap of kort erna
en het volk een duidelijke boodschap wou afleveren:
Jahwe, de god van Israël is een redder, is jullie bevrijder.
Dat is in de hele geschiedenis van Israël trouwens hét credo geweest.
En met het oog op het heden en/of op de toekomst wordt de redding in het verleden herdacht.
Liturgie is herdenking, herinnering.
Daar hoort een herinnerend verhaal bij
en vragen die de betekenis van liturgische elementen willen achterhalen, die niets anders bevatten dan het aloude credo: Jahwe heeft ons gered. Het herdenken van de redding creëert de liturgie, constitueert ze.
In het centrum van dat herdenken en herinneren is natuurlijk de reddende en levenwekkende God,
de redder van het volk, van ieder individu en van alle mensen. Door die redding is Israël Gods volk geworden, beter,
liet God weten dat Hij Israël liefhad.
Van die liefde en van zijn erbarmen is de redding een uiting, een gevolg. Het is een onvoorwaardelijke en verregaande liefde.
De uitverkiezing van Israël is geen privilege, verheft het volk niet boven andere.
‘Uitverkorene’ is een ander woord voor ‘geliefde’
en het ‘lot’ van Israël toont het lot van de hele mensheid:
door God tot leven gewekt worden, gered worden van een zinloos slavenbestaan. Maar dit is zeker al een latere evolutie in het geloofsdenken van Israël.
Het verhaal van de redding begint met de roeping van Mozes in Exodus 3.
Claus Westermann stelt dat het echt begint (‘es geht los’) in Exodus 7
en pas eindigt met het slot van het boek Numeri.
En in heel dit verhaal wordt de bevrijding voorgesteld, gepresenteerd als een wonder. Dat betekent niet dat wat gebeurt van natuurwetten of historische wetten zou afwijken,

maar wel dat de bevrijding ‘ondanks’ geschiedt, ondanks de ervaren onmogelijkheid, ondanks de onmacht en de onwil van mensen, ondanks ‘de goden van Egypte’, ondanks de absolute onwil van de goddelijke farao.
‘Ondanks’ wil dus zeggen dat God dan de zaak in handen neemt. Mozes mag zich nu met de feesten bezighouden.
Nu zal Jahwe zelf met farao afrekenen,
de vorst wiens naam nooit in Exodus genoemd wordt.
Dat wil eigenlijk zeggen dat hij geen identiteit heeft, eigenlijk niemand is. En hij heeft dus ook geen toekomst.
De dood van de eerstgeborenen is het radicaal ontnemen van toekomst. Dat wou farao ook doen met de Israëlieten.
Maar dat is hem niet gelukt.
Jahwe belemmerde dat door de vroedvrouwen
die in het relaas wel degelijk een naam hebben en dus iemand zijn! Ook daar was de reddende God aanwezig.
Exodus 1, 15 Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, - de een heette Sifra, de andere Pua -, 16 en sprak: `Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen bij de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind; is het een jongen dan moet je hem doden, is het een meisje dan moet je het laten leven.' 17 Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven. 18 Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen:`Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?' 19 De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.' 20 God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk. 21Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht.
De bevrijdende strijd van Jahwe tegen farao wordt beschreven in beeldrijke taal, in metaforen, die niet de bedoeling hebben precies te zeggen wat er gebeurd is en ook niet willen uitdrukken hoe God dient gedacht te worden,
maar die alleen willen in de verf zetten wat Hij doet: redden. De metaforen worden ontleend aan historische gebeurtenissen, maar eveneens aan mythologische gegevens.
Men kan hier ook denken aan het verhaal van de zondvloed
of aan het spectaculaire splitsen van de zee in het doortochtverhaal. We hebben hier te doen met de beeldtaal van een narratieve theologie, uiteraard met de beeldtaal van mensen die leefden
in een soms zeer wrede tijd waarin het doden van vrouwen en kinderen een beproefde wijze was om een volk alle toekomst te ontnemen.
Eigen aan het denken van die tijd was ook de ‘vergeldingsleer’,
die trouwens in veel gevallen nog steeds doorwerkt.
Als kinderen hadden we er geen probleem mee te horen
dat Hans en Grietje de boze heks in de brandende oven duwden.
De geallieerden hadden uiteindelijk geen probleem
om de middeleeuwse stad Hamburg met brandbommen te bestoken residentiële wijken in Tokio eveneens daarvan te voorzien
en de militair onbelangrijke steden Hirosjima en Nagasaki van de kaart te vegen. Deze uitdrukking zegt het goed: onbestaande maken.
Het idee van gerechtvaardigd geweld en een rechtvaardige oorlog is zeker nog in het Oude Testament te vinden,
zoals vele regels en bepalingen die we nu niet meer in ons wetboek zouden zetten.
De prediking van Jezus van Nazaret en het Nieuwe Testament laten wat dat betreft een ander geluid horen,
hoezeer de narratieve taal er ook gewelddadig kan zijn.
Maar het kon nooit de bedoeling zijn deze tot norm te verheffen, hetgeen fundamentalisten wel doen.

Lezing:

Omdat in het begin de redding ondervonden werd, blééf voor Israël Jahweh de Redder. Daarom ook wordt van Hem steeds weer redding verwacht, afgesmeekt en ervaren: Jahweh is de reddende God. Dat geldt voor zowel het bestaan en de geschiedenis van het volk als van de enkeling. (…) Achtergrond van het gebruik in het Oude Testament van het werkwoord nasal (redden) met God als onderwerp is de ervaring én de verwachting van Israël, dat Jahwe het volk en de enkeling op velerlei wijze redt in nood en bevrijdt uit dreiging. Daarover zijn er berichten, het wordt in herinnering geroepen, het wordt aangekondigd, men smeekt het Jahwe af, men verlaat er zich op. In de historische boeken wordt verteld over nieuwe daden van redding en bevrijding. Nadat Israël uit Egypte gered was, ondervond het nog dikwijls dat het gered en behoedt werd, onderweg door de woestijn, bij de vestiging in het land en in de tijd van de rechters. Ofschoon niet zo vaak meer, deed Israël zulke ervaringen ook nog in de koningstijd op, vooral in het begin daarvan. Een koning kreeg Israël immers ingewilligd om het te redden van de onderdrukking van de Filistijnen. Men moet daarbij in het oog houden, dat Gods daden als Redder steeds stroken met de omstandigheden van de verschillende fasen in Israëls geschiedenis en dat dus de ondervinding van redding telkens nieuw is.
(Claus WESTERMANN, Hoofdlijnen van een theologie van het Oude Testament)