Tekst en Onderricht september 2026



GELOVEN: BEVRIJDING EN LEVEN
Op stap met verhalen van uittocht, doortocht, woestijntocht en intocht.




Lezing: Exodus 3 - 4 Duiding:
Als in de Bijbel gesteld wordt dat ‘God is’
en genoteerd wordt dat Hij van zichzelf zegt dat Hij is wie Hij is,
dan wordt met het werkwoord ‘zijn’ geen filosofische waarheid aangeduid,
geen mening, geen opvatting, maar een ervaring,
de ervaring van nabijheid, van een levenwekkende en reddende nabijheid. Von Dürckheim drukte het in zijn boek Meditatie. Doel en weg zo uit:
“Het Wezen is niet zomaar een idee,
iets waaraan men hecht vanuit een bepaalde gelovigheid, of het product van een vrome verbeelding,
maar de inhoud van een ervaring:
een ervaring die niet alleen empirische waarde heeft,
maar vooral ook openbaringskarakter bezit.” De Bijbel is de verwoording van die ervaring en de verhalen van de bevrijding uit Egypte,
de verhalen van de uittocht, de doortocht door de Rietzee,
de woestijntocht en de intocht zijn daar schitterende illustraties van.


De redactor van het verhaal van de roeping van Mozes heeft deze verwoording dan nog eens samengebald
in de wijze waarop hij God zichzelf laat presenteren aan Mozes. De Hebreeuwse uitdrukking ‘ehjeh ‘asjer ‘ehjeh in Exodus 3, 14, en wellicht - zoals de exegeet Cornelius Houtman stelt –
het best gewoon te vertalen !s door ‘Ik ben die Ik ben’,

duidt geen naam aan, en heeft misschien wel de bedoeling
duidelijk te maken dat de juiste naam van God weten niet belangrijk is, dat wie Hij is en de ervaring daarvan
niet in een naam te vatten is, evenmin als in een begrip,
en dat je dus evengoed ‘God’ kunt zeggen als ‘Wezer’ of wat dan ook.
Vele exegeten stellen dat het fameuze vers 14 weleens een inlassing zou kunnen zijn
en het antwoord op de in vers 13 gestelde vraag ‘Hoe is zijn naam’,
meteen te lezen valt in vers 15:
Dit moet ge de Israëlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen,
de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door. Als er al een naam is voor de God van het Oude Testament,
dan is dat wel degelijk Jahweh,
een naam die door Joodse gelovigen niet uitgesproken wordt.
Over oorsprong en betekenis van de naam willen we hier niet hebben en ook niet over het feit dat sommigen verkeerdelijk menen
dat het zgn. tetragram jhwh als ‘Jehovah’ dient gelezen te worden.
De eindredactor van het boek Exodus
en van alle verhalen van uittocht, doortocht, woestijntocht en intocht, heeft reeds de geschiedenis van het Godsvolk
tot en met het einde van de ballingschap voor ogen en ziet in dat einde, in de bevrijding uit de ballingschap en in de terugkeer naar het land een tweede exodus, een herhaling van Gods reddend optreden,
een ervaren openbaring van wie Hij is: levenwekkende en reddende nabijheid.
Misschien is een eerste definitieve redactie van de Exodusverhalen reeds opgesteld tijdens de ballingschap om de ballingen te bemoedigen.
Gods levenwekkende en reddende nabijheid is
gewoon de wijze waarop Hij door ons mensen wil en kan ervaren worden. Die nabijheid is de openbaring van zijn wezen dat liefde is:
het willen van het leven van de geliefde. Die liefde is in de Exodusverhalen geworden tot het erbarmen met het lijdende volk
en in de verdere geschiedenis tot het erbarmen met het schuldige volk, dus tot vergeving.
Dat God niet alleen nabije redder is, maar ook nabije schepper, is een belijdenis volgend uit de verdere reflexie
van de Bijbelse gelovige tijdens en na de ballingschap
op de ervaring van eigen bestaan, geschiedenis en schepping, de werkelijkheid dus die ervaren wordt
als levenwekkende en reddende nabijheid van het goddelijke.
Mozes is geroepen om mensen van die aanwezigheid bewust te maken.
Niemand kan dat op een overtuigende wijze doen
zonder eerst zelf bewust te zijn van en vertrouwvol te geloven in die aanwezigheid. Geroepen worden om anderen van Gods aanwezigheid bewust te maken,
hen dus te wijzen op die aanwezigheid,
is vooreerst zelf van Gods aanwezigheid bewust worden, eigenlijk, bewust gemaakt worden.
Dat is wat boven op de berg van God in de woestijn gebeurt.
Exegeet Paul Kevers wijst op de symboliek van het gebeuren in dat verband.
De woestijn en de daar aangetroffen eenzaamheid
is de plaats van confrontatie met jezelf, je ware zelf en wat met dat zelf kampt. De berg is de plaats waar men dichter bij God is en meer perspectief biedt.
Het vuur wijst op een ongenaakbare mysterieuze aanwezigheid. Vuur is een element van een theofanie, een verschijnen van God, een openbaring van zijn aanwezigheid
dat in de Bijbel bijna steeds een spreken inleidt.

Het doet de mens verstillen, verwonderen, opent de mens voor het wonder en maakt de mens bereid om te luisteren.
Gods woord is altijd een heilswoord,
waarin Hij zijn levenwekkende en reddende nabijheid verwoordt, aankondigt, belooft. Bij Mozes luidt het:
Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte,
om het weg te leiden uit dit land naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. (3,8) Zowel ervoor als erna is te lezen wat God tot deze actie heeft bewogen: Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien,
de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden. (3,7)
Het geweeklaag van de Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen
en Ik heb ook gezien hoezeer de Egyptenaren hen onderdrukken. (3,9) Kardinaal Cardijn had als motto voor de KAJ: ‘Zien, oordelen, handelen.’ Hier luidt het: ‘Zien en horen, kennen en bewogen worden,
in beweging komen en bevrijden.’
Gods bevrijding is niet het gevolg van menselijk gebed of offerande. Het is geheel en al zijn initiatief, voortvloeiend uit zijn wezen: liefde, barmhartigheid.
Deze aangeduide sequentie schetst heel het heilshandelen van God met de mens. Mozes wordt geroepen om aan dat heilshandelen deel te nemen,
om er Gods instrument van te zijn.
De Duitse theologe en mystica Dorothee Sölle ziet in deze deelname hét kenmerk van de mens die werkelijk in éénheid met God leeft,
die in eenheid met God als God ziet en hoort, kent en bewogen wordt
en in beweging komt en bevrijdend en heilzaam in de wereld aanwezig is.
De vele ‘maar-s’ in het roepingsverhaal van Mozes
laten zien wat er in de weg staat tussen het geweten, de bewustwording van roeping en de uiteindelijke eenheid met God en leven en handelen in eenheid met God.
Ze laten zien waarom de mens niet aan zijn roeping be-antwoordt en ook niet zijn ware zelf kan bereiken.
Ze zijn het resultaat van onwaar en ondoelmatig denken,
uiteraard ingegeven door angst, angst die doet twijfelen aan jezelf,
maar ook het vertrouwen in de trouwe aanwezigheid en nabijheid van God ondermijnt.
Cornelius Houtman wijst op een klein detail
waaruit de on-eenheid tussen God en Mozes oplicht. In 3,7.8.10 noemt God de Israelieten ‘mijn volk’.
In zijn bezwaar vertolkende replieken komt dit bij Mozes niet voor.
Dat Mozes zijn sandalen moet uitdoen om de plaats van het verschijnen te betreden en om de boodschap te vernemen, wordt door sommigen ook gezien
als het uittrekken van alles wat onzuiver is en eenheid belemmert.
Het is duidelijk dat Mozes zijn angst probeert te verbergen in onbekwaamheid.
‘Ik kan niet’ is in veel gevallen ‘ik durf niet’ en daarom ‘ik wil niet’.
Het is dit gebrek aan vertrouwen en geloof dat leidt tot pure ongehoorzaamheid, tot brute weigering en Gods woede en toorn oproept.
Ook Jezus heeft blijkbaar geen begrip voor angst.
In het eerste verhaal van stormstilling bij Matteüs luidt Jezus’ woord tot zijn leerlingen:
Waarom zijt gij bang, kleingelovigen? (8, 26)
Tekenen dienen om Mozes’ gebrek aan vertrouwen weg te nemen,
maar ook om hem bij het volk en bij de farao te legitimeren als gezondene.
Dat de doornstruik niet verbrandt is al een eerste teken voor Mozes.
Ook de genezing van de huidziekte is wellicht eerder voor hemzelf bedoeld.
Maar het teken van de slang en van het bloed
is een teken dat in Egypte zelf uitgevoerd moet worden.
Ze moeten ook duidelijk aantonen dat niet alleen Mozes’ woorden Gods woorden zijn,

maar dat zijn handelen ook Gods werk is.

Mozes is geroepen om gezonden te worden,
om de levenwekkende en reddende nabijheid van God te openbaren, te verkondigen, ervaarbaar te maken. In de gezondene is God aanwezig en nabij,
zoals Hij Mozes nabij is in de verschijnende engel in het vuur. Het Hebreeuwse mal’ak betekent ‘boodschapper’,
iemand die gezonden is met een boodschap.
In die boodschap, in het woord, is de boodschapper aanwezig en wat men met de boodschapper doet,
doet men met de diegene die hem zendt. Zijn woord is het woord van de zender.
Hij moet het getrouw overbrengen.
In dit verband schreef Dietrich Bonhoeffer:
‘Niet wat de éne of de andere in de Kerk wil, is voor ons ten slotte belangrijk, maar wat Jezus wil: dat willen wij weten.
Zijn eigen woord willen wij horen als wij de verkondiging beluisteren.’
In het spreken van de gezondene is de sprekende God aanwezig en de verkondiger mag, voor zover hij in eenheid met God leeft,
zowel in zijn handelen als in zijn spreken op Gods bijstand rekenen.
In het onderricht van Jezus aan zijn leerlingen, zijn boodschappers, zijn zendelingen, neemt deze bijstand uiteraard de gestalte van de heilige Geest aan:
Wanneer men u wegvoert om u over te leveren,
maakt u dan niet tevoren bezorgd over wat gij zult zeggen, maar zegt wat u op dat ogenblik zal ingegeven worden.
Want niet gij zijt het die spreekt, maar de heilige Geest. (Mc 13, 12)
Ook in het Oude Testament is overvloedig in die zin van de Geest spreke. Bij Mozes luidt het:
Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt
en u ingeven wat ge moet zeggen. (4, 12), en:
Ik zal u beiden bijstaan als ge moet spreken en u ingeven wat ge moet doen. (4, 15)
Op te merken is dat van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘ingeven’, yarah,
het woord torah afgeleid is.
De Torah is van goddelijke oorsprong, is als Gods Geest een vorm van Gods aanwezigheid bij zijn volk,
zoals ook de aan de mens gegeven mogelijkheden om ‘als God’
te zien, te horen, te spreken, te handelen en lief te hebben. Werkelijk, in alles is God ons nabij.

Lezing:

In de opvatting van bevrijdende theologie
bekijkt de met God vereende ziel de wereld met Gods ogen: ze ziet als, als God,
datgene wat anders onzichtbaar gemaakt wordt en geen rol speelt; ze hoort het gekerm van de hongerende kinderen;
ze laat zich niet afleiden van de reële ellende;
ze wordt één met God in de waarneming, in de kennis én in het handelen.
Bij de mensen in de verpauperde wijken bestaat de verlossing niet daarin
dat een grote verre acteur de ellende van de onderdrukten opheft, maar daarin, dat deze verre nabijheid zo dichtbij wordt,
dat hij in en door de met hem één geworden mensen actie onderneemt. Dorothee SÖLLE, Mystiek en verzet Gij stil geschreeuw