Homilie Tiende zondag A 2026

 

 

 

Tiende zondag A    Os 6,3-6    Rom 4,18-25    Mt 9,9-1

Zoals bij alle uitingen van menselijke cultuur moet men in de religie onderscheid maken tussen echtheid en onechtheid, authenticiteit en huichelarij. Profeten, zoals Hosea in de eerste
lezing, waarschuwen voor een oppervlakkige godsdienstigheid die kort van duur is, als een ochtendmist die bij de eerste
zonnestralen verdwijnt. Offers opdragen aan God kan een uiting zijn van het ego, om God om te kopen en voor zijn karretje te spannen. God schept echter meer behagen in duurzame trouw en waarachtige godskennis. Volgens de zestiende-eeuwse mysticus,
Johannes van het Kruis, is alleen het pure geloof de meest
veilige, zekere en integere verwelkoming van God. Alleen dat pure geloof is in staat de mens met God te verenigen.



In de tweede lezing spreekt Paulus over zo’n puur geloof dat hij in Abraham verpersoonlijkt ziet. Dat geloof is ook hopen tegen alle hoop in, dit wil zeggen een hoop die de logica van de econoom en de manager ver overstijgt. De logica van de manager offert het kleine op om het grote te behouden. Beter één verliezen dan
allen, beter één op te offeren ten voordele van allen. Het pure geloof zet echter deze al te menselijke logica op zijn kop. Zelfs het afgeleefde lichaam van Abraham en Sara is nog drager van de
belofte van een nageslacht. Ook de ouderdom is waardevol. Niets moet worden afgeschreven. Dat is de kracht van het geloof die God eer brengt. Zo’n geloof bezit de kracht ons met God te verenigen.

Dezelfde goddelijke logica bezielt Jezus die die 99 schapen in de bergen achterlaat om op zoek te gaan naar het verloren schaap. Jezus kiest voor inclusieve handelingen en niet voor exclusieve. Het zieke en het verlorene zoekt Hij op om het te genezen en te integreren. Deze logica van de barmhartigheid plaatst Jezus in
het centrum van het geloof dat ons met God kan verenigen. “Wat je aan één van de minsten van mijn broeders gedaan hebt, hebt je aan Mij gedaan” (Mt 25,40), zegt Hij in de parabel over het laatste oordeel. Wat zou de Kerk van onze dagen er veel bij winnen moest zij deze nieuwe moraal van Jezus in praktijk brengen! Het echte werk bestaat uit het redden van precies datgene waarvan anderen zouden instemmen het te verliezen.

De verlorene van deze zondag heet Matteüs en is een tollenaar.
Inner zijn van belastingen in functie van de Romeinse bezetter is een oneerlijk beroep. Daarom werd Matteüs uitgesloten uit de gemeenschap. Maar de blik van Jezus verandert zijn leven totaal.
Door te kiezen voor deze door iedereen gehate man, doet Jezus
iets provocerends. Niet alleen roept Hij deze zondaar tot de kring van zijn apostelen, Hij gaat met hem ook aan tafel. “Zie, Hij eet met de tollenaars en de zondaars” (Mt 9,11), zeggen zijn
criticasters. En Jezus zal dit vaker doen, wat Hem de reputatie oplevert een veelvraat en dronkaard te zijn, een vriend van de
tollenaars en de zondaars (Mt 11,19).

Jezus is een meester in het overtreden van de wetten en gebruiken van zijn tijd. Bij Simon de Farizeeër aanvaardt hij de uitingen van genegenheid van een prostituee: “Als deze man een profeet was, zou hij weten wie deze vrouw is, een zondares!” (Lc 7,39). Bij Zacheüs, een hoofd van de tollenaars, nodigt Hij
zichzelf uit om bij een zondaar te logeren! (Lc 19,7). Hij verklaart in de Tempel: “De tollenaars en de hoeren gaan jullie voor in het Koninkrijk van God” (Mt 21,31). Hij eet bij Simon, de melaatse (Mc 14,3). Meerdere malen overtreedt hij de wetten rond de sabbat. Maar als Jezus tegen de wet ingaat, handelt Hij altijd in het voordeel van een concrete persoon, een mens die lijdt, die
uitgesloten wordt, die in de problemen zit. Jezus is gekomen om te genezen en te redden wat verloren is (Lc 19,10). Het zijn
immers niet de gezonden die een dokter nodig hebben, maar de zieken (Mt 9,12).

Authentieke godsdienstigheid moet dus deze liefde en
barmhartigheid weerspiegelen die God voor ons koestert. Al onze religieuze activiteiten, zondagsmis, gebeden, bedevaarten en devoties zijn belangrijk, maar ze moeten uitdrukking geven aan het mededogen dat we voor anderen voelen. Offers hebben in Gods ogen weinig waarde als ze worden gebracht vanuit een hart van steen. God verlangt naar mededogen en barmhartigheid. Alle schepselen moeten gered worden. Niemand mag slachtoffer worden van onze exclusieve keuzes. Zo krijgt onze zondagse bijeenkomst haar volle waarde. “Wees barmhartig, zoals jullie hemelse Vader barmhartig is” (Lc 6,36) “Barmhartigheid wil ik, geen offergave” (Mt 9,13; Hos 6,6). Zo moge het zijn!

Broeder Guerric Aerden ocso    Abbaye de Prébenoît