Homilie Vijfde Paaszondag A 2026

Vijfde Paaszondag A Hand 6,1-7 1Petr 2,4-9 Joh 14,1-12
Als we Lucas in de Handelingen van de Apostelen horen vertellen van interne spanningen rond de voedselverdeling in de eerste gemeenschap van Jeruzalem, voelen we ons onmiddellijk op ons gemak. Reeds enkele weken na de verrijzenis wordt er ruzie gemaakt! De idyllische beschrijving van de eerste kerk van
Jeruzalem zou ons kunnen ontmoedigen als er niet die toets van realisme was, waar we in onze eigen kerk maar al te vertrouwd mee zijn, dat mensen die het niet met elkaar eens zijn.
Niet alleen de discussie rond de voedselverdeling, maar ook de moeilijkheden en weerstanden om het Woord te geloven en te gehoorzamen, waarvan de eerste Petrusbrief getuigt, en de vragen die Thomas en Philippus in het Evangelie van Johannes aan Jezus stellen, brengen ons dichter bij de realiteit die de onze is, die we in onze kerk en onze gemeenschappen gewend zijn:
namelijk die van uiteenlopende standpunten, van twijfels en geschillen. Hoe frustrerend en irriterend ook, ze horen bij de
realiteit van ons mens-zijn. En er is veel liefde en geduld, maar ook onderscheiding en humor nodig, om je er niet door te laten overweldigen en ontmoedigen.
Want het is niet makkelijk vandaag aan mensen te verkondigen dat de Jezus Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is. Maar is dat ooit gemakkelijk geweest? Hoogstens zouden veel van onze tijdgenoten wellicht bereid zijn te aanvaarden dat Jezus een weg, een waarheid, een leven zou kunnen zijn. Onder de vele
mogelijkheden en filosofieën zouden zij voor Christus misschien een plaats kunnen inruimen. En moeten we onszelf ook bij die ‘zij’ rekenen? Maar aan Jezus Christus de eerste plaats en alle ruimte geven, Hem ons hele geloof en vertrouwen geven…? Jezus verkondigen als dé Weg, dé Waarheid en hét Leven, zonder direct gediskwalificeerd te worden als ouderwets of reactionair, dat is de hele uitdaging van de gelovige christen van nu en van alle tijden.
In de vraag die Filippus aan Jezus stelt: “Heer, toon ons de
Vader?” (Joh 14,8) bundelt zich heel het verlangen dat leeft in het hart van de mens. Dat diepste verlangen dat de gang van de mens en zijn geschiedenis aanstuurt, het verlangen naar volledige vervulling en naar ultiem geluk. Dat Filippus nu, in dit
uur van afscheid, die vraag aan Jezus stelt, heeft te maken met wat hij met Hem heeft meegemaakt en ervaren op de wegen van Galilea en Judea. Om God te zien, had hij daarom niet zijn huis en zijn netten, de horizon van een simpel en tastbaar geluk
achtergelaten en was die Jezus achterna te gaan? Had hij aan de zijde van Jezus niet gemerkt in welke intieme verbondenheid deze Leraar leefde met God, die Hij zijn Vader, Abba, noemde?
Maar samenleven met Jezus had Filippus ook doen inzien dat al de rest maar bijkomstig was. Zich door Jezus gezien en bemind weten, was voor hem het “enig noodzakelijke” (Lc 10,42) en al de rest was in vergelijking daarmee niets en onbenullig. En deze fascinatie voor Jezus had hem nu hier gebracht, te Jeruzalem, dwars door verlies, scheiding, kwetsuren en pijnlijke ervaringen heen. Hij was zich er langzamerhand van bewust geworden dat
het niet bij deze Meester eindigde. Via Jezus was er een Ander die hem fascineerde, die hem aantrok zonder dat hij Die ooit had gezien of gehoord. En met diepe emotie, als ging het om het kostbaarste geheim, antwoordt Jezus hem: “Filippus, wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh 14,9).
Het antwoord van Jezus is méér dan een theologische affirmatie. Want het gaat hier om ons geloof zelf en wat daarin het meest essentieel is en centraal staat: de persoon van Jezus Christus,
zijn Incarnatie, het Woord dat mens geworden is, de Zoon van de Vader. Naast en boven en onder alle problemen en discussie in de kerk en in het menselijk bedrijf, toont het Johannesevangelie ons Jezus als de enige Weg is, de volle Waarheid en het echte,
onvergankelijke Leven. Een mensenleven is te kort om de dimensies van deze woorden te vatten. Tweeduizend jaar
christendom is te weinig om de nieuwheid ervan te verstaan. Welke stilte, welke woestijn, welke rust is groot genoeg om het wonder te contempleren en aan heel de schepping te verkondigen van deze God die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht!
Br. Guerric ocso Abdij van Prébenoît