Homilie Derde zondag van de Vasten A 2026
Derde zondag van de Vasten A Ex 17,3-7 Rom 5,1-8 Joh 4,5-42
Het is een gemeenplaats te beweren dat onze beschaving een consumptiebeschaving is. Ze ziet de mens als een leeg vat dat gevuld moet worden: met geluid, door een koptelefoon op zijn oren te zetten; met beelden, door een scherm voor zijn ogen te plaatsen; met alles wat zijn behoeften kan bevredigen en tegelijk vermenigvuldigen.
Dat is het tegenovergestelde van wat Jezus deed toen Hij tegen de Samaritaanse zei: “Wie het water drinkt dat Ik hem schenk, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden die opwelt en eeuwig leven voortbrengt.” (Joh 4,14). Ons vasten moet ervoor zorgen dat we terug aansluiting vinden bij die bron die ons echt kan vervullen. Het ware vasten, dat we verrichten als de Bruidegom van ons is weggenomen, is het vasten dat uitdrukking geeft aan onze verwachting en hoop op de wederkomst van Christus. Dat vasten overspoelt ons met Zijn aanwezigheid, zodat Hij degene wordt die zijn werk in ons kan doen.
De Samaritaanse, die water gaat putten uit een bron buiten zichzelf, wordt door Jezus gewezen op een bron in haarzelf. En die bron is zijn aanwezigheid in ieder mens die zich voor Hem openstelt. God vervult ons met zijn Geest als we ons daarvoor openstellen door in onszelf te keren. Deze bron van de geest bevindt zich in de mens maar hij kan er geen aanspraak op maken of er beslag op leggen. De Heilige Geest die we bij ons doopsel en vormsel ontvangen hebben, wordt in ons een bron van levend water als we met onze vrije beslissing meewerken met de Geest. De eerste stap is inkeren in onszelf. Dat is de eerste stap naar ware vreugde.
Echter, door in te keren komen we niet vanzelf en automatisch bij de bron terecht. De inkeer in onszelf confronteert ons in eerste instantie met de wanorde in onszelf. De bron van de Heilige Geest is nog verstopt met de stenen en het slijk van onze ontregelde harstochten. Het volgende dat we dus moeten doen is ons hart reinigen door het gebed. We moeten ons hart zuiveren van de leugens waarrond we onze identiteit gebouwd hebben. We zijn immers van nature leugenaars. We vinden de leugen zelf uit, we ontwerpen haar en bouwen haar op vanuit het niets.
Christus is evenwel de waarheid (Joh 14,6) die in ons wil wonen. Van de waarheid zijn we niet zelf de auteurs, we creëren haar niet. De waarheid is van iedereen. De waarheid neemt ons op, bewoont ons, omvat ons en beschermt ons. En pas als we in de waarheid leven, komen we uit bij de bron. “God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Jn 4,24). In de waarheid leven betekent dat we oprecht omgaan met onszelf en met anderen. Dat is een veeleisende opgave. Het betekent dat we niet toestaan dat het koninkrijk van de leugen zich verder uitbreidt.
Wie de bron ontdekt, stelt haar boven alles. “Niets boven Christus stellen” (RB 4,21), vraagt de Regel van Benedictus aan de monnik. “Niets zal mij scheiden van de liefde van Christus”, beweerde woestijnvader Antonius de Grote. (Vita Antonii 9,2) “Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5,5). Laten we dus voor alles ons hart bewaken, want daar ontspringt de bron van het leven (Spr 4,23). Laten we ons hart zuiveren van dode werken om er de levende God te eren (Hebr 9,14) en Hem in ons hart te aanbidden in geest en waarheid.
Jezus wijst ons de weg naar de bron van de Geest in onszelf. Als we een leven leiden van inkeer en gebed, zal de Geest in ons een overvloedige bron worden van levend water. Dan worden we vrij ten opzichte van vele behoeften die de hedendaagse cultuur ons aanpraat en vervolgen we met een blij hart zingend onze weg naar Pasen.
Br. Guerric ocso Abdij van Prébenoît