Homilie Vierde zondag A 2026

Vierde zondag A Sef 2,3; 3,12-13 1Kor 1,26-31 Mt 5,1-12a
“Zoekt de Heer, gij allen, ootmoedigen van het land” (Sef 2,3). Het zoeken van God, is dat soms niet het doel van ieder mensenleven? “Jij hebt ons naar Jou toe geschapen, God, en
onrustig is ons hart tot het zijn rust vindt in Jou,” schrijft Augustinus in zijn Belijdenissen. Dat de mens “naar God toe geschapen is”, betekent voor Augustinus dat de vrije wil in het hart van de mens pas echt vrij wordt als hij die niet langer op zichzelf richt blijft, maar op God. Pas wanneer de mens wil wat God wil, wordt hij vrij, zo vrij als God. God zoeken is dus vooral een kwestie van het maken van keuzes die in overeenstemming zijn met Gods wil, met onderscheiding en in alle omstandigheden van het leven. God maakt zijn wil bekend in zijn Woord en in de stem van ons geweten. God zoeken is willen wat God wil.
De profeet Sefanja nodigt de ootmoedigen van het land uit God te zoeken. Alleen de nederigen, de kleinen kunnen immers zoekers zijn van God, die zelf nederig is. Alleen aan de nederigen laat God zich kennen, zoals destijds aan Mozes, de bescheidenste van alle mensen op aarde (Nu 12,3), en aan Maria, de nederige dienstmaagd van de Heer (Lc 1,48). Alleen wie zijn eigenwil verzaakt, is nederig. Slechts wie niet op zichzelf gericht blijft, maar op God en zijn Woord, is ootmoedig. Nederigheid en God-zoeken gaan dus hand in hand. Een opgeblazen iemand die zegt dat hij God zoekt, is in tegenspraak met zichzelf. God zelf is nederig, wij nog niet. God ontledigt zich tot het uiterste in zijn Zoon Jezus Christus, tot de dood aan een Kruis, tot het brood op de tafel van de Heer. Dat is nederigheid tot het uiterste. God heeft bovendien een voorkeursliefde voor het dwaze, het zwakke en het nederige om te beschamen wat denkt dat het veel betekent, dat het wijs en machtig is. God heeft een voorkeursliefde voor de rest, voor een arm en klein volk, dat de waarheid spreekt, dat geen ongerechtigheid doet, en dat zijn toevlucht zoekt bij de naam van de Heer.
En wonder boven wonder: die dwazen, die armen, die kleinen vinden rust en verkwikking. “Zalig de armen van geest; zalig die treuren, zalig de zachtmoedigen!” Ze zullen weiden en rust vinden zonder door iemand te worden opgeschrikt. Het is een wonder! Het onrustige mensenhart komt alleen bij God tot rust, in zijn schaduw weidt het en vindt het verkwikking. Waarom is deze tijd
zo geagiteerd? Waarom zijn er vandaag zoveel ongelukkige, ontevreden mensen? Waarom leven we zo opgejaagd en zijn we zo verward? Is het vanwege de geopolitieke situatie, vanwege de klimaatverandering, vanwege de economische en financiële crisis? Die zijn er allemaal. Maar we vinden geen rust omdat we God niet zoeken, maar onszelf; we vinden geen vrede omdat we Gods wil niet doen maar onze eigenwil; we zijn zo stuurloos omdat we de oriëntatie op het ene noodzakelijkheid kwijt zijn, omdat onze kompasnaald niet langer de Ene, de Onveranderlijke aanduidt.
En Jij God, Jij blijft roepen, Jij blijft stralen, Jij blijft geuren. Totdat wij jou, Christus, inademen. Totdat we snakkend naar Jou verlangen, totdat we hongeren en dorsten naar Jou, totdat we gerechtigheid en barmhartigheid leren, totdat we Jou proeven. Dan zul je ons aanraken en zullen wij ontvlammen tot jouw vrede. (naar Augustinus, Belijdenissen I en X).
Br. Guerric ocso Abdij Prébenoît