Homilie voor de 28ste zondag door het jaar A 11 oktober 2026
Homilie voor de 28ste zondag door het jaar A 11 oktober 2026
Jesaja 25, 6-10a
Matteüs 22, 1-14
Een feestmaal, en in het bijzonder een bruiloftsmaal,
is een levendig en sprekend symbool voor het Rijk Gods,
voor een wereld waar mensen in vrede en vreugde samenzijn en dankbaar genieten van het goede dat God ons schenkt.
Het samenleven van christenen in gezinnen, in kerkgemeenschappen, in groeperingen, in kloostergemeenschappen,
zou ook zo’n vredevol en vreugdevol samenzijn moeten wezen.
Waarom lukt dat niet altijd?
Misschien om dezelfde reden als deze waarom sommigen
niet willen deelnemen aan het feestmaal of er niet kunnen aan deelnemen. Het is de weigering om echt te luisteren naar wat God wil,
de weigering om in te gaan op zijn uitnodiging
om onvoorwaardelijk lief te hebben en goed te doen. De twee parabels in de evangelielezing van deze zondag zijn zoals de vorige zondagen opnieuw gericht
tot de oudsten en hogepriesters van het volk.
Toen was er, net als nu, sprake van weigering
om in te gaan op een oproep om deel te nemen aan wat God wil.
Die weigering slaat nu echter om naar agressie gericht tot tot diegenen die tot het feest uitnodigen.
Want het is enorm frustrerend telkens herinnerd te worden
aan wat we eigenlijk zouden moeten doen, aan wie we eigenlijk zijn, als we dat uit angst, uit egoïsme of zelfgenoegzaamheid niet willen.
Ouders die kinderen hun taken en plichten voorhouden en hen daarom oproepen hun spelletjes neer te leggen
riskeren soms te horen dat ze mogen ophouden met “zagen”.
Profeten die kritische geluiden laten horen, de waarheid zeggen,
oproepen tot bekering en tot rechtvaardigheid, zijn vervelend en ambetant. Men is ze liever kwijt dan rijk.
In het lot van de profeten deelde Jezus, deelt God, deelt de stilte, deelt alles wat niet nuttig en leuk is,
ons niet verrijkend, nuttig of aangenaam bezighoudt.
Ook een Kerk die echt oproept tot bekering wordt vervolgd, wordt monddood gemaakt.
Met groot misbaar steeds maar weer
op de fouten van de Kerk wijzen is ook een middel daartoe.
Maar helaas ontnemen veel schandalen in de Kerk de Kerk zeggingskracht.
Dat neemt niet weg dat er echter wel degelijk
een weigering ten opzichte van het goddelijke is, ten opzichte van een leven waarin de mens zijn egoïsme en materialisme overstijgt,
waarin de mens een einde maakt aan zijn banaliteit en trivialiteit.
Zo is er ook enorm veel verzet tegen het verzet tegen onrecht en armoede.
“Zijn ze daar weer met hun gezaag over het klimaat,
de armoede, de derde wereld…..”
“Dat ze ons toch gerust laten. Ze maken ons onrustig…” In de eerste parabel is de weigering en de onwil duidelijk. In de tweede parabel zijn die niet zo duidelijk.
Ze hebben te maken met dat bruilofstkleed, de ‘dresscode’. Het bruiloftskleed is het symbool van de nieuwe mens,
van een leven dat werkelijk aan Gods wil beantwoordt, een leven waarin men werkelijk tot bekering komt.
Het niet gepaste kleed staat symbool voor een vroomheid, een religiositeit van vroomheid, van wetten en regels waarvan de profeet Jesaja reeds opperde:
Dit volk nadert Mij wel met de mond, en eert Mij met de lippen, maar zijn hart is ver van Mij en zijn vrees voor Mij
is niet meer dan wet van mensen,
die door mensen worden aangeleerd. (Jesaja 29,13).
Het is een vroomheid zonder rechtvaardigheid en dienstbaarheid. Het is christen zijn zonder werkelijke navolging,
zonder verloochening van zichzelf, zonder zelfontlediging, zonder onvoorwaardelijke liefde en onverdeelde goedheid, zonder barmhartigheid en vergeving, zonder nederigheid.
Het is behoren tot een kerk, mijn kerk, mijn kerkje, mijn gemeenschap, maar niet tot de gemeenschap van hen die Christus navolgen.
Het is een geloof van eigenbelang en uiterlijkheid.
Er is zowel gebrek aan dienstbaarheid als aan contemplatie, zowel gebrek aan actie als aan stilte,
zowel gebrek aan echt gebed als aan het goede doen. Daaraan mag het ons niet ontbreken.