Homilie voor het hoogfeest van de Heilige Drie-Eenheid 31 mei 2026

Homilie voor het hoogfeest van de Heilige Drie-Eenheid 31 mei 2026


De genade van de Heer Jezus Christus,
de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen.
Deze wens, waarmee Paulus zijn tweede brief aan de christenen van Korinte afsluit,
is de wens waarmee wij, na het maken van het kruisteken, de eucharistieviering openen.
Ik hou ervan dat we op die wijze de eucharistieviering beginnen en het kruisteken en de zegenende groet niet pas te horen krijgen na een ‘inleidende mini-homilie’.
In die zegenende groet of wens horen we wat in het leven kan ervaren worden en wat in ieder geval in het ‘echte leven’ te ervaren is:
genade, liefde en gemeenschap.
In de evangelieën, maar vooral in dat van Johannes, wordt dat ‘echte leven’ ook het ‘eeuwige leven’ genoemd. ‘Eeuwig’ is geen aanduiding van een tijdsduur
en slaat ook niet meteen op een leven na de dood.


Maar dit leven na ons sterven hier, is in ieder geval geen terugkeer naar een aards leven met alle aardse zorgen en pijnen en met alle aardse vreugden en genoegdoeningen.
Het is een leven in volkomen eenheid met God
en gekenmerkt door volkomen vrede en volkomen vreugde. Meer moet daar niet over gezegd worden.
Maar wel is van belang aan te stippen dat dit ‘eeuwige leven’ ook in ons leven hier op aarde kan plaatsgrijpen.
In de voorbije paastijd heb ik er vanaf de paaswake regelmatig op gewezen dat we deelnemen aan dit ‘eeuwige leven’
als we deelnemen aan de verrijzenis van Christus en hier en nu opstaan tot een ander en nieuw leven.
Het is dus het leven ontdaan van alle angst en zelfzucht en gekenmerkt door liefde, vrede en vreugde,
door genade, liefde en gemeenschap.
Het is een vernieuwd en veranderd leven, een getransformeerd leven door de genade van Jezus Christis, door de liefde van God
en door de gemeenschap van de heilige Geest.
Het komt er dus zeker op aan
ons voor die genade, liefde en gemeenschap open te stellen.
Jezus noemt deze aanvaardende en open gezindheid ‘geloven’.
En dat geloven houdt in de eerste plaats
het aannemen van en het vertrouwen in de waarheid dat God liefde is en ons onvoorwaardelijk liefheeft. Geloven is dus vooreerst Gods liefde aanvaarden.
Dan houden we op zelf ervoor te zorgen dat we aanvaard en bemind worden.

Het is een compleet verkeerd begrip van godsdienstig leven,
spiritualiteit en vroomheid als verwoede pogingen om de hemel te verdienen, om Gods liefde te verdienen, om Christus’ genade te verwerven,
om de gemeenschap met de heilige Geest te bewerken. En toch zijn veel ‘gelovige’ mensen daar mee bezig.
Ook in hun omgang met medemensen
is het leven van velen één poging om zich als geliefd en waardevol te bewijzen. Geloven helpt ons te ‘leven’, echt te leven:
in alle omstandigheden van het leven ons ten diepste bemind en aanvaard te weten. Wie dit besef mist, wellicht door afwijzing of andere beschadiging,
leeft vervreemd van zichzelf en God
en oordeelt en veroordeelt ook veelal zichzelf en medemensen. Maar de Vader heeft de Zoon niet gezonden om te oordelen maar om tot leven te roepen.