Homilie voor de 10de zondag door het jaar A 7 juni 2026
Homilie voor de 10de zondag door het jaar A 7 juni 2026
Het is voor ons imago een goede zaak als we in een tafelgesprek kunnen meedelen dat bekende personen of beroemdheden tot onze kennissenkring behoren.
Geweldig tof is het, als je met die mensen ook op een foto prijkt.
En ongelooflijk als je kunt zeggen dat een pak mediafiguren in jouw huis te gast waren en er genoten hebben van je culinaire talenten.
Er daalt als het ware een schaduw van hun bekendheid op je neer. Hun aanwezigheid of hun bekendheid met jou verleent je waardigheid.
Maar dat is niet de reden waarom tollenaars en zondaars aan tafel schuiven bij Jezus.
Het is trouwens niet duidelijk of die maaltijd bij Mattëus
of in het huis in Kafarnaüm, waar Jezus verblijft, plaatsgrijpt.
Die tollenaars en zondaars is het ook niet om een goede maaltijd te doen.
Op andere plaatsen in het evangelie horen we
dat ze naar Jezus komen om naar Hem te luisteren.
We zouden kunnen zeggen: het is hun om ‘geestelijk voedsel’ te doen.
En als Jezus aan de farizeeën verklaart waarom Hij hun aanwezigheid aan tafel tolereert, zegt Hij ook niet dat Hij hen van een goede maaltijd wil voorzien.
Hij wil hen genezen en Hij wil hen roepen.
Wat deelt Jezus dan aan tafel mee dat voor hen zo genezend werkt? In ieder geval niet: “Mensen, jullie zijn goed bezig.
Doe maar verder en trek je maar niets aan van wat de mensen zeggen.” Met die mensen kunnen dan de farizeeën bedoeld worden,
voor wie die tollenaars en zondaars allemaal verloren zijn
en geen schijn van kans maken om deel te nemen aan het Rijk Gods. Ze zijn voorgoed verstoten en verstoken van Gods liefde.
Ze kunnen niet meer rekenen op erkenning, waardering en barmhartigheid en ook niet meer op gewone sociale omgang met mensen.
Ze zijn te mijden als de pest. Met hen ga je niet om!
Als Jezus nu zegt dat Hij gekomen is om zondaars te roepen, dan houdt dat zonder twijfel in dat Hij hen roept tot bekering, tot een radicaal nieuw en ander leven.
En als Jezus zegt dat Hij hen geneest,
dan is die genezing gelegen in het bewust maken van het feit dat ze niet van Gods liefde uitgesloten zijn,
dat ze hun waardigheid van kind van God niet verloren hebben, welk kwaad ze in hun leven ook mogen verricht hebben,
dat ze nog altijd deel kunnen nemen aan het Rijk Gods. Jezus biedt hen Gods barmhartigheid aan.
Op een andere plaats in het evangelie zegt Jezus
dat Hij niet gekomen is om te oordelen, maar om te redden.
Jezus biedt een ander Godsbeeld aan
dan dat van de oordelende en veroordelende God,
een Godsbeeld dat nog altijd mensen in zijn greep houdt en mensen van God vervreemdt,
een Godsbeeld dat nog altijd door de farizeeën van deze tijd verkondigd wordt, ook door de vele moraalridders die nu ook veelal buiten de Kerk te vinden zijn!
Het is dringend tijd dat we het beeld van de strenge veroordelende God loslaten, hetgeen ook niet wil zeggen dat we het bestaan van kwaad en onrecht ontkennen en dat we het kwaad en het onrecht niet veroordelen.
Maar dat is niet hetzelfde als de mens definitief veroordelen. Een mens kan door en door slecht handelen.
Daarmee handelt de mens niet naar zijn wezen.
Hij is van zichzelf, van medemensen en van God vervreemd. Hét Godsbeeld van Jezus is dat van liefde en barmhartigheid.
En willen we God openbaren, dan zijn liefde en barmhartigheid de enige weg.
En willen we God ervaren en leren kennen
dan zijn liefde en barmhartigheid en vergeving ook de enige weg. Johannes schrijft het onomwonden in zijn eerste brief:
De mens zonder liefde kent God niet. (1 Joh 4,8)
Barmhartigheid is hét kenmerk van Gods liefde
en van de liefde die we in Gods naam aan medemensen verschuldigd zijn.
Barmhartigheid staat boven offers en zonder barmhartigheid zijn offers niets waard. Barmhartigheid staat ook nu nog boven alle uitingen van vroomheid.
Men kan stellen dat wezelf of anderen gelovig zijn, ‘spiritueel goed bezig zijn’.
Men kan dan verwijzen naar interesse voor spiritualiteit en stilte,
naar interesse voor liturgie, bedevaarten, abdijen, contemplatie en meditatie.
Maar als dat niet leidt tot of samengaat met
een innerlijk en een houding getekend door barmhartigheid en mededogen, dan is het in veel gevallen religieuze ego-tripperij.
Ware godsdienstigheid, waarachtig geloof
is het bewustzijn van Christus’ aanwezigheid in een open geest en hart. Het is Christus, die ons roept tot navolging,
tot het openbaren van Gods liefde
in onze zorg, liefde, barmhartigheid en mededogen voor medemensen.
En daarbij hoort ook wel het bewustzijn
dat we zelf een dokter nodig hebben en zondaars zijn en we ons niet dienen te verheffen boven anderen
en we het gezelschap van zondaars niet hoeven te mijden.
André Louf, de voormalige abt van de trappistenabdij van de Katsberg schreef ooit:
Die groot gaan op hun edelmoedigheid en goede werken worden niet meer bij de Heer verwacht.
Hij stuurt ze met lege handen terug.
Maar die vanuit hun diepste wezen mogen schreien van ellende en, ondanks die ellende, blijven dorsten naar heiligheid,
zullen door de Heer ontvangen en met zijn liefde rijkelijk bedeeld worden.