Homilie voor het hoogfeest van de Openbaring van de Heer 4 januari 2026

Homilie voor het hoogfeest van de Openbaring van de Heer 4 januari 2026



Het hoogfeest van de Openbaring van de Heer of Epifania
valt eigenlijk op 6 januari, maar onze liturgische kalender plaatst het op de eerste zondag na 1 januari.
Omdat op dat hoogfeest het verhaal van de drie wijzen uit het Mt-evangelie horen en deze drie wijzen in de christelijke traditie koningen werden,
wordt het hoogfeest van de Openbaring ook wel het Driekoningenfeest genoemd.

In de oosterse Kerk is Epifania evenwel het feest van de geboorte van Christus.
Dat maakt meteen duidelijk dat de betekenis van het hoogfeest van de Openbaring geen andere is dan deze van Kerstmis:
we vieren de menswording van God, het verschijnen van de Christus, de geboorte van de mens in wie God zich ten volle mag openbaren, zoals Hij dat ook hoopt in ons te mogen doen.


De drie wijzen erkennen die openbaring.
Hun erkenning staat tegenover de houding van velen die Gods openbaring niet erkennen, een gegeven dat in de liturgie van kerstdag zelf aan bod kwam in de evangelielezing,
de zgn. proloog van het Johannesevangelie:
En het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. (…) Het ware Licht, dat iedere mens verlicht kwam in de wereld.
Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet.
Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.
De wijzen erkennen de mens Jezus van Nazaret als de openbaring van Gods wezen en bewijzen die pasgeboren mens daarom goddelijke eer:
ze knielen, betuigen de Christus hulde en bieden ‘goddelijke’ geschenken aan. Dat er goud aangeboden wordt is te vatten: het kostbaarste is pas goed genoeg. Wierook past ook het plaatje van goddelijk eerbewijs.
Maar wat met die mirre, in de Bijbel steeds in verband gebracht met lijden en dood.
Misschien wordt door die mirre meteen duidelijk gemaakt dat Jezus van Nazaret een andere goddelijke Christus zal wezen dan deze die men verwachtte en dacht:
geen machtige koningsfiguur, maar iemand die verwerping en vervolging zal kennen, iemand die zijn leven zal geven in trouw aan zijn zending.
Laten we even verder stilstaan bij die drie geschenken
en laten we ons de vraag stellen wat wij te bieden hebben
als we God in ons leven erkennen, als we Christus in ons leven erkennen, als we in alles en in allen de openbaring van Gods liefde erkennen.
Die geschenken zijn eigenlijk datgene wat we geven als we echt liefhebben, als we liefde met wederliefde beantwoorden.
En onze liefde is altijd wederliefde, een antwoord, een reactie op Gods liefde, vooral als onze liefde een liefde is voor iemand die God ons gegeven heeft om lief te hebben. Het eerste wat we kunnen en eigenlijk moeten aanbieden is onze zeer kostbare tijd.
‘Ik heb geen tijd’ is een onware uitspraak. ‘Ik heb nu geen tijd voor jou’ is correcter.
Voor wie of voor wat we tijd hebben, aan wie of aan wat we tijd spenderen
laat zien voor wie of voor wat we interesse hebben, naar wie onze genegenheid uitgaat. De wijzen hebben in ieder geval veel tijd gereserveerd om Jezus te zoeken.
Men kan moeilijk beweren dat men iemand liefheeft als men voor die ander
nooit tijd maakt, nooit tijd vrij maakt en andere tijdrovende zaken aan de kant zet, niet even de TV uitzet of de GSM naast zich neerlegt.
Men kan zo ook moeilijk beweren dat men gelooft als er in de loop van de dag of in de loop van de week geen moment is
waarin men uitdrukkelijk tijd schenkt aan God.
Gebed en liturgie zijn in een gelovig leven onontbeerlijk
en het is goed dat we ophouden met deze aspecten van het geloofsleven

als bijzaak aan de kant te zetten of er enkel tijd voor te maken als het ons past.
Het tweede wat we te bieden hebben
is datgene waarmee we de geschonken tijd vullen: aanwezigheid en aandacht, aandachtige aanwezigheid en aanwezige aandacht.
Daarvoor moeten we niet alleen activiteiten en bezigheden stopzetten, maar ook
die innerlijke activiteit van piekeren, dromen, fantaseren, plannen en innerlijke dialoog. Aandacht en aanwezigheid eisen een uiterlijk en innerlijk verstillen,
rustig worden en totale gerichtheid op de ander. Het is een levenshouding die we kunnen inoefenen, waarin we ons kunnen bekwamen.
Gebed en liturgie is niets anders dan tijd schenken aan God, tijd waarin we aanwezigheid en aandacht schenken,
waarin we ‘met ons hart bij de Heer’ zijn,
zoals we dat ook doen als we tijd en aandacht aan een geliefde schenken. Mirre verwijst naar een derde gave van de liefde: moeite.
Ik leg hier het verband met de navolging van Christus,
navolging die altijd lijden met zich meebrengt en wel in deze zin,
dat liefde ons soms vraagt en dwingt om dingen voor de ander te doen die moeilijk zijn, die moeite kosten,
die onszelf niet onmiddellijk genoegdoening schenken,
die we dus echt doen omwille van de ander, dingen die opoffering vragen….
Er kan van geen liefde en dus ook van geen geloof sprake zijn
als er geen gave van tijd en aandacht en als er geen opoffering is. Men zegt dat in deze tijd het geloof fel ‘achteruit gaat’.
Misschien wel meer dan het geloof.
Misschien ook wel de wijsheid dat liefde tijd, aandacht en opoffering vraagt.

https://www.youtube.com/watch?v=h-8tZelak4c&list=RDh-8tZelak4c&start_radio=1 Simpel….

https://www.youtube.com/watch?v=qkSBmRAVXNc&list=RDqkSBmRAVXNc&start_radi o=1
Ok, misschien wat ‘creepy’, maar ….